Queridos amigos y amigas e otros vagabundos! Wat vloog de week weer snel voorbij nietwaar? Voor we het weten zijn we dood en naar God geknaagd door de maden en de wormen en dan resteert enkel nog het Grote Niets en dat is wel zo rustig en bovenal hoopgevend. Daarom zeg ik zoals altoos en u kent mijn credo: life is a picknick. Toch moet de schoorsteen roken en de Portugal Post vol, daarom steek ik maar meteen van wal, en wel met goede nieuws. Voor uw schijnt alweer editie 7 van uw Portugal Post, nu nog vernieuwder en verbeterder. En ik heb nog meer leuk niets voor u! Ik ga de Camino Portugues lopen, van Lissabon via Porto naar Santiao de Compostela.
De trein naar Santiago vermijd ik liever even, u weet, en bovendien zit ik toch maar de hele dag aan mijn gat en in mijn neus te peuteren. Mijn bankrekeningnummer krijgt u binnenkort, u kunt mij dan gaan sponsoren en de Heere God der Heirscharen zal u rijkelijk belonen in het onder- en bovenmaanse, als u natuurlijk in die ellende gelooft. Ik heb namelijk ineens een enorme behoefte om uit mijn versufte en lethargische staat te komen en nu spuit ineens al die energie en daadkracht er uit, als diarree uit een Engelse toeriste van tachtig op vakantie in Egypte. Ooit zei iemand tegen mij: ‘Op de bodem van de put staat een trampoline, of in ieder geval iets in die geest.
Dat vonkje van de gedachte om de Camino te gaan klaplopen op jullie kosten werkt als een spiritueel springkussen en de boel begint te vlammen als die Engelse toeriste na het nuttigen van een Lamb Vindaloo in de Punjab. Eigenlijk hoef ik helemaal niet meer te gaan, zoveel positiefs is er al uit voortgekomen. Maar ik ga dus wel, jullie willen natuurlijk mijn leuke fotootjes zien voor jullie dure geld dat op mijn rekening gestort gaat worden. Als dank geef ik jullie daarom nu een gratis gedicht van Dinette Noordhof-Vogelzang, een van de pseudoniemen van mijn favoriete Arabierische dichter Ramsey Nasr.
Houd moed
als het leven zwaar is
Houd moed
als je geen gat meer ziet
Houd moed
als het donker is om je heen
Want er is er Eén
die je bij name kent
Want er is er Eén
die boven en onder, naast, voor en achter je is
Want er is er Eén
die heeft gezegd:
Jezus komt terug op de wolken
dan wordt alles nieuw, gaaf en goed
Ja, dat geeft moed!
Zo, dit geouwehoer waar Gods zegen op rust hebben we ook weer achter de rug en dan nu als de donder naar de post, lieverds!
Minha Vaga Digitais
(oftewel: Mijn digitale gleuf).
En we beginnen zoals met een brief van Caroline van den Akker, kom er maar in meid!
Querido Turinho,
Kun je niet eens iets over August Willemsen schrijven, vroeg je een keer. Tuurlijk, schreef ik onbezonnen terug, niet wetend wat ik me op de hals haalde. Wat moest ik nu schrijven over iemand die me zo dierbaar was en die inmiddels, tot mijn grote verdriet, al jaren het aardse voor het hemelse had verruild?! Iemand die met evenveel verve iemand neersabelde, als de hemel in prees; die je aartsvijand was of je drinkebroer?! Zoveel mensen, zoveel meningen over ‘Guust’ als persoon, maar over een ding zal iedereen het eens zijn: hij was een meer dan begenadigd vertaler van Pessoa, Drummond de Andrade, ach, van wie niet?! Dat hij zelf bovendien over het nodige schijftalent beschikte, heeft hij met de boeken van zijn hand ook ruimschoots bewezen.
Het zal een jaar of dertig geleden geweest zijn. Ik was wel toe aan glaasje rode wijn, nadat ik op mijn gemak had rondgekeken op een groepstentoonstelling van Portugese kunstenaars, in Amsterdam. Ik doe een greep naar een glas en tegelijkertijd wil iemand anders hetzelfde pakken. “Oh, sorry, pak jij het maar!’ ‘Nnnnee, nnnna jjjou!’, kwam het er met horten en stoten uit: een stotteraar! We raakten aan de praat over het werk dat er hing, tot hij zich middenin het gesprek excuseerde. Voordat ik er erg in had, liep hij naar voren naar het spreekgestoelte. Verrèk, dus dát was die August Willemsen?! En die moest gedichten gaan voordragen, terwijl ik net met veel pijn en moeite een gesprek met hem had kunnen voeren?! En voordragen deed hij! Vloeiend, zonder een hapering, met een vuur, met een passie, en, waar nodig, met een verstilling, een ingetogenheid… Je kon een speld horen vallen, en ondanks de warmte had ik kippenvel! Later zou hij me uitleggen dat het alles te maken had met de manier van ademhalen, maar dat hij moeilijk in het dagelijks leven de hele tijd kon gaan voordragen of zingen, nou ja, dat laatste kon hij sowieso al niet.
Nee, ik ga het niet hebben over de drinkgelagen met o.a. ginjinha en absint, het fulmineren en de bezetenheid rond ‘futebol’, zijn andere passie, nee, ik ga het hebben over die keer dat we samen aan het vertalen sloegen van een gedicht. Welk? Dat doet er ook niet toe.
Het begon met de vertaling van een gedicht die ik ooit op verzoek had gemaakt. Toevallig had hij net hetzelfde onder handen gehad. We gingen vergelijken en, zoals te verwachten, kwamen onze versies in grote lijnen overeen, maar verschilden wel op een aantal punten. Er volgde een heerlijke discussie die eindigde in het voorstel om ons samen aan een vers stukje poëzie te wagen.
Daar zat hij, gewapend met pen en papier; een tekstverwerker had je toen nog niet. Ik sprong in zijn waterval van taal. Er werd gesabbeld op zinnen, als op een toverbal, gebeten in woorden, als waren het delicate bonbons, leestekens werden gewogen op een goudschaaltje, sferen werden beschreven, er werd gepingpongd met werkwoorden, gehakt, geschaafd en gepolijst in beeld, betekenissen binnenstebuiten gekeerd. Maar, hoezo, samen?! Ik kwam niet verder dan wat gemurmel en gestamel. De rollen waren compleet omgekeerd: de stotteraar was ik!
Hij was dé pâtissier onder de vertalers, Michelin-chefkok van de letteren en, mijn god, wat zou ik er veel voor over hebben om nog een keertje bij hem in de keuken te staan en een van zijn nieuwe delicatessen te proeven!
Hier – een laatste letterkruimel van mijn mond wegvegend… – um beijo!
Caroline
Dankjewel Caroline! Omdat er verder eigenlijk helemaal geen post die er toe doet in mijn gleuf is gepropt, vul ik hem maar even op met rotzooi van querulanten die ik anders meteen in de prullenbak had geflikkerd. Dan weet u ook eens wat voor bagger ik dageliks naar mijn hoofd krijg geslingerd, een normaal mens had allang zelfmoord gepleegd. Maar: YOU CAN’T GET A GOOD MAN DOWN MOTHERFUCKERS! De nieuwe vormgeving van de Portugal Post heeft heel veel los gemaakt bij het volk, leest en oordeelt u zelf maar.
—————————————————————————————————————————————-
Leo Stumpel: De titelbalk is behoorlijk lelijk. Jammer.
sneuneuzerij: Gelukkig is Coco de Algarveman ook weer van de partij, ik lach me elke dag weer de vlektyfus om die vent
Frans Timmermans: Tuurke! Ich heb dich sticks gezag, mar toch wooste gej et nie: eine, inne daag neet gepos eine, inne daag neet gelaef, ut hangt mich gans de babbelaar oet, chei oet. Soms is ‘t beater iets moeis te verleeze. Beater verleeze dan dat ge ‘t noeit het gehad. ik hald van dich. Kum se un tas koffie drinken bie mich?
Antje Ha
Lieve Tuur, ben je vanavond weer zo extra nieuwsgierig naar mijn brievenbus?
Bas van Vuren
Mooie varken ook.
Norbert Mergen
Ik heb mijn abonnement opgezegd vanwege het latent fascistische gedachtengoed van de heren Brussen en Van Amerongen, de kutfoto’s, de oppervlakkige teksten (die vind ik op Internet ook) en (dus) gebrek aan diepgang. Verder is er een beweging naar te veel life style, dat hoort in Libelle of Margriet. Ik wacht nu maar op De Correspondent.
Jan
Het is een leugen. De Portugal Post is niet ‘dubbel zo dik’ geworden. De dikte van organen zoals The Portugal Post is afhankelijk van omzet en kosten en niet van de verschijningsvorm, in zoverre die geen invloed op de omzet en kosten heeft. Dat het moeilijk is een dikkere krant te maken bij afnemende aantallen abonnees en verminderde advertentie-inkomsten is begrijpelijk. Curieuzer is, dat het aanbod van nieuws lijkt te slinken met het verslechteren van de exploitatie-grondslag van een krant. Enfin…, maar jok er niet over, van Amerongen!
Johan Kloosterman
Leuk hoor, dat Brussen & Van Amerongen het digitale tabloid-formaat naar een nieuw niveau hebben gebracht. Wellicht help dat naar de toekomst toe. Ik vraag mij af: hoeveel mensen – buiten de ‘babyboomers’ die gezellig van hun VUT of pensioen genieten – lezen eigenlijk de Portugal Post wekelijks grondig? In Lelystad en Zoetermeer wordt jullie krant gespeld, hoor. Zelf lees ik de Telegraaf dagelijks slechts oppervlakkig, ik lees slechts wat mij interesseert. En dan vooral de Financiële Telegraaf, waar de (heel goede redactie!) mij vertelt welke personen nu weer waar en in welke kas hebben zitten te graaien of hoe Haagse, politieke personen ook in crisistijd geen prioriteiten weten te stellen. Voor het woord personen mag u ook lezen: idioten.
Leuk, zo’n nieuw formaat, maar voor wie schrijven jullie eigenlijk, beste Portugalpost’ers, behalve dan voor dat zelfingenomen klootjesvolk van babyboomers? Mensen die schrijven willen toch gelezen worden? Jullie toch ook? Jullie schrijven toch niet voor de stenen op het kerkhof of de urnen van de urnengalarij? Ik haat jullie! Hierbij past volgens mij enige maatschappijanalyse. Ik weet wel, het klinkt vreselijk jaren’70 toen iedereen toch vooral sociologie moest gaan studeren, maar toch: voor wie schrijven jullie eigenlijk? Volgens mij schrijven jullie voor het slavenvolk van Nederland, dat vooral in de Randstad van Nederland woont. Want de Randstad, dat is toch het slavenhuis van Nederland? Of niet soms? En die randstadslaafjes zijn doordeweeks hartstikke druk en hebben geen tijd om jullie geteut te lezen. Waarom maken jullie dan elke dag een krant?
Maak een Spits die vanaf elke vroege ochtend op elk trein-, bus- en tankstation verkrijgbaar is. En publiceer jullie geteut in een weekendkrant, wanneer dat armzalige lezerspubliek van jullie ( behoudens die zelfingenomen babyboomers, uiteraard) wel tijd heeft om jullie verhalen te lezen. KIn de toekomst , Arthur, wordt The Portugal Post een maandblad, met gladgepoetste bladzijden, de krant voor het Nederlandse volk dat geen tijd heeft om te lezen en dat denkt dat Humberto Tan een witte intellectueel is.. Hoe wil je die mensen noemen: slavenvolk, klootjesvolk of misschien iets anders? Ach, Arthur, pleeg ruggenspraak met Bertus. Derk weet alles van klootjesvolk. Hij is rijk geworden over de ruggen van de nietsvermoedende lezers in dit moederland van dociele mensen.
Johan, heel erg bedankt en veel succes in je verder leven! Ik ben nu echt door de post heen en vul idan maar even op met een schitterend en vooral ontroerend gedicht van mijn favoriete Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade (1902-1987). Het betreft hier een gedicht over de bips, daar lusten ze in Brazilië wel pap van. In de vertaling van niemand anders dan August Willemsen die hierboven al aan de orde kwam.
—————————————————————————————————————————————-
BUNDA, QUE ENGRAÇADA
A bunda, que engraçada.
Está sempre sorrindo, nunca é trágica.
Não lhe importa o que vai
pela frente do corpo. A bunda basta-se.
Existe algo mais? Talvez os seios.
Ora – murmura a bunda – esses garotos
ainda lhes falta muito que estudar.
A bunda são duas luas gêmeas
em rotundo meneio. Anda por si
na cadência mimosa, no milagre
de ser duas em uma, plenamente.
A bunda se diverte
por conta própria. E ama.
Na cama agita-se. Montanhas
avolumam-se, descem. Ondas batendo
numa praia infinita.
Lá vai sorrindo a bunda. Vai feliz
na carícia de ser e balançar
Esferas harmoniosas sobre o caos.
A bunda é a bunda
redunda.
Het kontje, ach hoe aardig
Het kontje, ach hoe aardig.
Lacht altijd, nooit tragisch
Kan niet schelen wat van voren zit.
Het kontje is zichzelf genoeg.
Is er nog meer? Misschien de borsten.
Nou-moppert het kontje-die jongens hebben nog heel wat voor de boeg
Het kontje is twee tweelingmanen in een bolrond wiegen.
Loopt vanzelf in zijn lieftallige cadans, zijn wonder twee in een te zijn, volledig.
Het kontje, vermaakt zich in zijn eentje. En bemint.
In bed beweegt het. Bergen rijzen, dalen. Golven slaan op grenzeloze kust.
Daar gaat het kontje, lachend. Blij. met de streling er te zijn, te schommelen.
Harmonieuze sferen hoog boven de chaos.
Het kontje is het kontje, een rondje.
VAN DE BIPS EN DE WORTEL
En nu iets heel anders, lieve vriendinnen en vriendinnen. Mensen op straat vragen mij vaak: mijnheer van Amerongen, u bent zo deskundig op het gebied van de mohammedanen en de Arabische mensen, waarom horen we u zo weinig over dit best wel hippe onderwerp? Ik moet dan even slikken want sinds ik mij zelf niet meer als deskundige positioneer verdien ik bitter weinig, en met die stomme Portugezen valt ook geen droog brood te verdienen, dat ziet u natuurlijk wel af aan deze armetierige krant af. Anyways, ik wil nog wel voor deze ene keer dan uit de school klappen. Het zit namelijk zo:
Mijn voormalige boezemvriend H. vloekte als een ketter. Zijn scheldkanonnades waren echter nietgericht aan de God van de Spaanse Inquisitie maar aan Allah, Zijn profeet Mo en de islam in het algemeen. H., telg uit een vooraanstaand moslimgeslacht uit Jeruzalem, kon respectvol en zonderenig cynisme spreken over het islamitisch onderricht dat hij in zijn jeugd genoten had en in een adem zijn God verdoemen. Hij deed dat in een dermate eloquent Arabisch dat ik er jaloers van werd.
Attenoie, wat kon hij machtig mooi vloeken tussen een slok bier en een sigaret door. Zijn favorietegodslasteringen zal ik hier – in deze tijd van bezinning en reconciliatie – niet opschrijven maar op de website vindt de liefhebber een fraaie bloemlezing van in het gehele Midden-Oosten en Noord-Afrika gangbare krachttermen, verwensingen, scheldwoorden en blasfemieën.
Het gortdroge Oost-Duitse leerboek voor de Arabische grammatica dat ik in de jaren tachtig gebruikte op de Universiteit van Amsterdam, had mij verrijkt met zinnen als: ‘kameraad, wij hebben genoten van de rondleiding door uw suikerrietfabriek in Damascus’ of ‘wij kijken halsreikend uit naar de publicatie van het nieuwe 5 jaren-plan met betrekking tot de cultivatie van kekererwten’. Het is hier geen taleninstituut van Berlitz’, zo waarschuwde een stokoude professor ooit zijn eerstejaars, met als gevolg dat de gemiddelde student na zes jaar nog geen brood kon kopen in de Levant, laat staan krachtig kon vloeken tegen bijvoorbeeld een taxichauffeur. Dankzij H. en een langdurig verblijf in het Midden-Oosten raakte ik gelukkig ook vertrouwd met de levende Arabische taal.
Ik moet altijd aan H. denken – we verloren het contact toen hij voorgoed naar Venezuela vertrok om daar met succes een bedrijf op te zetten dat gespecialiseerd is in jungletours – als de discussie over blasfemie weer eems oplaait, op instignatie van de Joop en De Correspondent en Het Reformatorisch Dagblad. Moslims waren uiterst gevoelig voor het ijdel gebruik van Allah’s naam (terwijl er warempel drommels weinig bewijs is dat Hij leeft tenzij we Zijn Syische oorlog als een postieve bijdrage aan de wereldvrede zien), zo maak ik steeds weer op uit de diverse media. Sommige artikelen en opiniestukken suggereren zelfs dat godslastering niet bestaat of in ieder geval nauwelijks voorkomt in de islam. Als een van de circa 1 miljard moslims op deze aardkloot dan toch bij hoge uitzondering zijn Schepper vervloekt, krijgt hij of zij onmiddellijk een fatwa aan de broek of burqa. Ik ga er gevoeglijk van uit dat Mohammed Boueri en Samir Azzouz en een aanzienlijk deel van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland nooit vloekt.
Alhoewel, ze zeggen dan toch gewoon godverdomme omdat ze daar mee onze christelijke God schofferen en dat interesseert ze geen hol. Het getuigt echter van een stuitende domheid om deze groep daarom gemakshalve maar als representatief te stellen voor de rest van hun geloofsbroeders en –zusters. Met dezelfde gemakzucht wordt in de media, vaak met behulp van zelfverklaarde islamdeskundigen, ook nog eens boud beweerd dat moslims geen humor en zelfspot hebben. Doorredenerend op basis van deze ‘self forfilling prophecy’ wordt de cocktail van het gebrek aan humor en zelfspot en de extreme gevoeligheid voor blasfemie dodelijk, zie Mohammed B.
Talloze mensen hebben mij gevraagd of ik de moord op Theo van Gogh voorzien had. Ik had immers Semitische Talen en Midden-Oostenstudies gedaan met het islamitisch fundamentalisme als specialisme. Ik specialiseerde me in de theorieën over het islamitisch fundamentalisme uit de vorige eeuw en de grondleggers Maulana Maudoodi uit India, Sayyid Qutb en Hasan al-Banna uit Egypte. Daarna volgde de praktijk: Het FIS in Algerije, Hamas in de Palestijnse gebieden en de Hezbollah in Libanon, de verwezenlijking van de islamitische revolutie in Iran. De toonzetting van mijn reportages kreeg gestalte in Algerije, in 1991 (voor onder andere Het Parool). De inmiddels gepensioneerde Midden-Oostendeskundige van het NRC Handelsblad schreef vanuit zijn hotelkamer in Algiers dat er een tweede Iran aan het ontstaan was, in de achtertuin van Europa. Ik zag echter een heel ander Algerije, een Algiers met een bruisend nachtleven en een swingende scène met rai-zangers zoals Cheb Khaled en Cheb Mami.
Het is maar waar je op let.
Het helse Midden-Oosten zoals dat in al die zware en dreigende werken werd afgeschilderd, herkende ik niet. Noem het naïviteit, maar de leiders en volgelingen van het FIS, Hamas en Hezbollah die ik ontmoette, waren altijd zeer gedisciplineerde en coöperatief, soms op het hoffelijke af.
Ik schreef bewust tegen de stroom in, tegen al die paranoïde en paniekerige berichtgeving over het Midden-Oosten, waarbij zeker in de Nederlandse journalistiek vrijwel altijd vanuit een pro-Israëlisch standpunt werd geschreven over Arabieren. Ik legde de nadruk op onbekende en verrassende zaken, noem het gechargeerd: het feit dat je in vrijwel alle landen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika non-stop uit kan gaan, dat je overall alcohol en drugs kan krijgen, dat de prostitutie welig tiert, dat het gros van de moslims zich helemaal suf vloekt. Na de euforie van de Oslo-akkoorden verslechterde de sfeer aanzienlijk: de moord op Rabin, de onophoudelijke zelfmoordaanslagen in Israel, het door het Israelische leger aangerichte bloedbad in Kana in zuid-Libanon, waarbij schuilende burgers in een VN-kamp aan flarden werden geschoten, de bloedbaden in Algerije, de aanslagen op 11 september. Niet lang na het begin van de Tweede Intifada had ik moe, murw en uitgeblust mijn standplaats Jeruzalem verlaten. Sindsdien heb ik geprobeerd het Midden-Oosten en al zijn vreemde kostgangers uit mijn hoofd te zetten. Ik keerde nog terug, een dag na de aanslagen op 11 september en later dat jaar naar Afghanistan tijdens de val van de Taliban.
Maar het Midden-Oosten reisde met me mee naar Nederland. Nee dus, ik had de moord op Theo van Gogh niet voorzien. Ondanks mijn theoretische en praktische kennis van het islamitisch fundamentalisme, heb ik nooit voorzien dat een daaruit voortvloeiende moord in Nederland zou plaats kunnen vinden. In het begin van de jaren negentig schreef ik talloze artikelen over de Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam, en hoe goed het daarmee ging. Jaja, met de tweede generatie zou het wel goed komen. Vol bewondering schreef ik over het eerste project van de Marokkaanse buurtvaders, die op een originele wijze de recalcitrante jeugd in Amsterdam in bedwang wist te houden. Tijdens de beruchte rellen op het Allebe-plein (ook nooit verwacht) in west verbleef ik in het Midden-Oosten. Nu loop ik dagelijks langs het bijna gereed zijnde, vuurrode politiebureau, dat verrees op de plek van de bioscoop,die centraal stond tijdens die rellen.
Ik woon met mijn toenmalige vrouw Edith Mastenbroek (oprichter Ben je Bang voor Mij in Amsterdam-West, aan de rand van de wijk waarin Mohammed B. opgroeide. Ik ben er van overtuigd, op basis van op internet verspreide foto’s, dat ik hem regelmatig jonge Marokkanen heb zien ronselen voor de goede zaak, vaak in de omgeving van het Allebe-plein. Je hebt er geen specialisatie in islamitisch fundamentalisme en een langdurig verblijf als correspondent in het Midden-Oosten voor nodig om deze extremisten te herkennen. Hun bizarre dresscode heeft een interessante ontwikkeling achter de rug. In het Algerije aan het einde van de jaren tachtig zag ik voor het eerst deze opvallende kledinglijn. Het FIS, het Islamitische Heilsfront, was nog niet verboden en leiders als Abassi Madani en Ali Belhaj en hun volgelingen waren bijzonder gemakkelijk te interviewen. De harde, militante kern van het FIS werd gevormd door Afghanistan-veteranen, herkenbaar aan de uit die regio gedragen pofbroek met hoogwaterpijpen.
Tevens scheerden ze hun hele lichaam kaal en smeerden ze met houtskool hun oogleden zwart. Ze zagen er kortom bespottelijk uit, als vogelsverschikkers, temeer omdat ze steevast een colbert droegen, de merkwaardige erfenis van de Franse kolonisator. Zover ik weet werd de colbert niet gedragen in de tijd van de Profeet. Heel erg veel van dergelijk geklede mannetjes lopen er niet rond in Amsterdam-west, maar als ik er een zag, kwam het niet in me op om de AIVD te bellen.Nog steeds niet trouwens, dat soort praktijken kennen we maar al te goed uit de Tweede Wereldoorlog. (GODWIN!)
Maar toch: op de dag van de moord op Theo van Gogh liep ik door Amsterdam-west, en voor het eerst voelde ik hoe ik argwanend naar verdachte baarden en pofbroeken keek. Zes jaar studie en bijna 15 jaar Midden-Oosten ervaring ‘down the drain’, dacht ik. Alle goede bedoelingen waren voor niets geweest, kennelijk had ik er altijd naast gezeten. In de dagen er na merkte ik hoe vatbaar ik was voor de collectieve psychose en massahysterie die vooral door de Nederlandse televisie wordt veroorzaakt. Natuurlijk is er iets walgelijks gebeurd, maar ik weiger als een angsthaas over straat te gaan.
Met al mijn ervaringen met Arabieren en Noordafrikanen in het algemeen, vertrouw ik er op – wellicht tegen beter in en met de hulp van Allah- dat er een louteringsproces zal plaatsvinden in bijvoorbeeld de Marokkaanse gemeenschap in Nederland (Turken hebben sowieso geen humor). Marokkanen hebben namelijk wel zelfspot en humor, kijk maar naar Abdelkader Benali, Badr Hari en Leon de Winter, alleen is het wel handig als je bijvoorbeeld Arabisch (of Amazight, berbers) verstaat. In zuid-Libanon interviewde ik eens een leider van de Hezbollah nadat hun kamp door de Israelische luchtmacht finaal naar de filistijnen was gebombardeerd. Op de rokende puinhopen zei hij met een glimlach al dunya jezzer, het leven is als een wortel, 1 keer krijg je hem in de hand, en 9 keer in je reet. Dat bedoel ik maar: een dag geen wortel in je reet is een dag niet gelachen.
FÁTIMA, FADO & FUTEBOL
Een introductie tot de geheimen van de Portugese Ziel
door René Zwaap
Opgedragen aan Arthur van Amerongen, Hemels Licht der Vaderlandse Letteren
INTRO
‘Fátima, Fado en Futebol’, dat waren in de woorden van dictator Salazar (1889-1970) de pijlers van de Portugese samenleving: ‘Fatima voor het geloof, fado voor de saudade, en futebol voor de glorie van het vaderland’. In de ogen van de dictator waren de ‘drie F’en’ de basis van zijn Estado Novo (Nieuwe Staat) – die met vier decennia de langst zittende dictatuur op fascistische grondslag van Europa zou blijken. Fatima, fado en futebol vormen nog steeds de pijlers van de Portugese samenleving, al dragen zij alle drie de sporen van de grote omwenteling van 25 april 1974, toen de Anjerrevolutie een einde maakte aan het Salazarisme.
In dit feuilleton van de Portugal Post onderzoekt onze huislusitanoloog René Zwaap wat er heden ten dage resteert van de drie F’en . In het bedevaartsoord Fátima, alwaar volgens de officiële leer op 13 mei 1917 de Heilige Maagd Maria verscheen aan drie herderskinderen, ging hij op zoek naar de geheimen van het pauselijk goedgekeurde zonnewonder. In de nachtelijke bars van Lissabon en Coimbra legde hij zijn oor te luister bij de beoefenaars van de fado, het oer-Portugese levenslied, waarin alle complexen van Portugal als gewezen koloniale grootmacht blijken te zijn opgeslagen. Tot slot verdiepte Zwaap zich in de geschiedenis van het Portugese voetbal.Wat is er toch aan de hand met de nationale voetbaltrots Benfica, dat in de vroege jaren zestig onder leiding van de ‘panterra negra’ (zwarte panter) Eusébio de Europese oppermacht van Real Madrid doorbrak maar nu al decennia van crisis naar crisis strompelt? En wat is het geheim van José Mourinho, de grootste Portugese voetbaltrainer aller tijden?
Maar nu dan aflevering 4 over het Wonder van Fátima.
ZUSTER LUCIA SLAAT AAN HET SCHRIJVEN
Als het lijk van haar collega-zienster Jacinta in 1935 officieel wordt opgegraven van haar rustplaats in Ourém en wordt bijgezet in de kathedraal van Fátima, krijgt Lucia van de bisschop van Leiria een foto opgestuurd van het stoffelijk overschot van haar jong gestorven nichtje. Het gezicht van Jacinta blijkt goed geconserveerd in de kist, hetgeen wordt gezien als een mogelijk motief tot heiligverklaring. Op bevel van de bisschop neemt Lucia de pen ter hand om haar herinneringen aan de ontmoetingen met de H. Maagd vast te leggen. De herinneringen worden jaar na jaar aangevuld en bijgesteld. Zo ontstaat het boek Herinneringen van Lucia, een klassieker in het occulte katholicisme, dat in 1942 verschijnt.
Visioen van de hel
Lucia schrijft in haar boek: ‘Het geheim bestaat uit drie verschillende delen, waarvan ik er twee ga openbaren. Het eerste is het visioen van de hel. Onze Lieve Vrouw toonde ons een grote vuurzee, die zich diep in de aarde leek te bevinden. Ondergedompeld in dat vuur zagen wij de duivels en de zielen als waren het doorzichtige zwarte of bruine kolen in menselijke gestalte. Zij dreven rond in het vuur, nu eens omhoog gejaagd door de vlammen die uit hen zelf uitsloegen samen met rookwolken, dan weer vielen zij naar alle richtingen, zoals vonken bij geweldige branden neervallen, zonder gewicht of evenwicht, onder gekerm en gehuil van smart en wanhoop, dat ons deed beven en verstijven van schrik. De duivels waren te kennen door hun weerzinwekkende en gruwelijke gedaantes van afschuwelijke onbekende dieren, maar zij waren ook doorschijnend en zwart. Dankzij onze hemelse Moeder die eerder beloofd had ons naar de hemel te brengen (in de eerste verschijning), duurde dit visioen slechts een ogenblik, anders zouden wij van schrik en ontzetting gestorven zijn.’
Sovjet-Unie bekeerd?
Het tweede gedeelte van het geheim van Fátima, aldus Lucia in haar boek, betreft de bekering van de Sovjet-Unie. Lucia in haar Herinneringen: ‘Wij sloegen de ogen op naar Onze Lieve Vrouw die met goedheid en droefheid tot ons sprak: Jullie hebben de hel gezien, waar de zielen van de arme zondaars naar toe gaan. Om ze te redden wil God in de wereld de verering vestigen tot mijn Onbevlekt Hart. Als men doen wat ik u zeg, zullen vele zielen gered worden en zal er vrede komen, de oorlog zal eindigen. Maar wanneer de mensen niet ophouden God te beledigen, zal onder het pontificaat van Pius XII een andere, erger dan deze, beginnen.
Als jullie een nacht verlicht zullen zien door een onbekend licht, weet dan, dat dit het grote teken is dat God u geeft en dat Hij de wereld gaat straffen voor haar misdaden door oorlog, hongersnood en vervolgingen van de Kerk en de heilige vader. Omdat te verhinderen zal ik de toewijding van de wereld aan mijn Onbevlekt Hart vragen alsook de communie van eerherstel op de eerste zaterdagen van de maand. Als ze naar mijn verlangen en wens zullen luisteren, zal Rusland zich bekeren en er zal vrede zijn. Zo niet, dan zullen grote dwaalleren over de wereld verspreid worden en oorlogen en kerkvervolgingen veroorzaken; de goeden zullen gemarteld worden; de heilige vader zal veel te lijden hebben; verschillende naties zullen vernietigd worden; tenslotte zal mijn Onbevlekt Hart triomferen. De heilige vader zal Rusland aan mij toewijden, dat zich zal bekeren en de wereld zal een tijd van vrede worden geschonken’.
Hysterische mythomane
Dat Rusland in oktober 1917, toen de mysterieuze dame in het wit haar geheimen vertelde aan de drie herderskinderen van Fátima, nog communistisch moest worden, is voor sceptici een reden om de revelaties van Lucia als verzinsels te verwerpen. Volgens sommige critici zoog Lucia een geheel gerestylede Maria-verschijning uit haar duim en begon ze haar eigen rol steeds groter te maken, ten koste van haar neef je en nichtje, die er toch niet meer waren om er iets tegen in te brengen. João Ilharco, een van de meest geduchte Lucia-bestrijders, karakteriseert Lucia in zijn boek Fátima desmascarada (Fátima ontmaskerd, 1971) als een ‘hysterische mythomane’, die het ‘als romanschrijfster nog ver zou hebben geschopt’.
Ook binnen de Portugese katholieke kerk leven er twijfels over het realiteitsgehalte van het wonder van Fátima. Maar openlijk durven de geestelijken dat tijdens de jaren van de dictatuur zeker niet naar buiten te brengen. In 1999 gebeurt dan voor het eerst, wanneer padre Mário de Oliveira in een tv-programma van SIC, de grootste commerciële tv-zender van het land, de vraag: ‘’ Gelooft u in de verschijningen van Fátima?’’ durft te beantwoorden met een keihard ‘’ Nee’’. De controverse loopt zo hoog op dat de R.K. priester zich genoodzaakt ziet zijn bezwaren tegen de Fátima-cultus nader toe te lichten in een boek Fátima nunca mais (Nooit meer Fátima), dat uitgroeit tot een onverbiddelijke beststeller.
Oliveira schildert het geheim van Fátima als een politiek-geestelijk complot van rabiaat reactionaire inslag. Volgens hem maken Lucia en haar ghostwriters zich schuldig aan boerenbedrog. Nadere bestudering van het eerste geheim van Fátima leerde de padre dat dat de beschrijving die daarin wordt gegeven van de hel bijna woordelijk valt terug te vinden in het boek Missão abreviada (Verkorte mis), een uittreksel uit het Nieuwe Testament met begeleidende didactische uitleg van een pater, een nogal primitief en hardvochtig werkje dat tijdens de jeugdjaren van Lucia zeer geliefd was onder het gewone volk en dat ook bij Lucia’s ouders in de kast stond.
Steunverklaring aan Hitler
Het tweede geheim van Fátima dat Lucia in 1942 bekendmaakte, zijnde de vurige wens van de Heilige Moeder om het heidense Rusland te bekeren en ‘toe te voegen’ tot haar Onbevlekte Hart was, zo merkt Oliveira op, niet minder dan een steunverklaring van de kerkelijke autoriteiten aan Hitlers invasie van de Sovjet-Unie in de Tweede Wereldoorlog. Op 13 juni 1917, de dag dat de H. Maagd deze wens aan de kinderen had kenbaar gemaakt, moest Rusland nog communistisch worden. Volgens Oliveira is er sprake van twee verschillende verschijningen in Fátima, die op zich niets met elkaar te maken hebben. De eerste vond plaats in 1917. De tweede vanaf medio jaren dertig in de fantasie van zuster Lucia, daarbij nauwlettend in de gaten gehouden door haar superieuren, kerkvorsten van het allerreactionairste slag.
Portugese beschavingsmissie
In 1940 sluiten Salazar en de katholieke kerk een nieuw concordaat. De anti-clericale maatregelen van de oude republiek worden ongedaan gemaakt. De katholieke kerk wordt vrijgesteld van belastingen en de missionarissen in de Afrikaanse koloniën krijgen staatsteun bij hun ‘beschavingsmissie om de inheemsen te bekeren tot het katholieke geloof en het Portugalisme’. Paus Pius XII is tevreden. ‘De Heer heeft de Portugese natie een regeringsleider gegeven die niet alleen de liefde van zijn volk wist te winnen maar ook het respect en de waardering van de wereld’, vertelt hij de Portugese ambassadeur bij het Vaticaan.
Wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, blijft Portugal neutraal. Aan nazi-Duitsland levert Salazar wolfraam – het zeldzame metaal dat nodig is om raketten te verharden is in Portugal ruim voor handen, met name in de mijngebieden rond Aveiro, Bragança, Castelo Branco, Villa Real en Viseu. Er ontstaat een ware ‘wolfraamkoorts’ – honderden legale en illegale maatschappijen storten zich op de winning van het wolfraamerts. Als de Britten beginnen te protesteren levert Salazar ook aan de geallieerden. De Duitsers profiteren echter het meest van de handelsgeest van de dictator, die in ruil voor de leveranties kan werken aan het verdere terugdringen van het begrotingstekort, nog altijd zijn grootste politieke obsessie. Tonnen door de nazi’s van Joden geroofd goud komen via geheime transporten via Zwitserland – alwaar de Nationale bank volop betrokken is bij het ‘witwassen’ – per vissersboten aan in Lissabon. Tussen 1939 en 1944 vervijfvoudigt de goudvoorraad van de Nationale Portugese Bank De waarde van de geheime transporten wordt geschat op 500 miljoen dollar. De Heilige moederkerk profiteert mee: decennia later, in de jaren zeventig, worden er swastikastempels ontdekt op de goudstaven die de kerkelijke autoriteiten van Fátima hebben ingeleverd ter financiering van nieuwe bouwwerken in het bedevaartsoord.
Salazar het ‘werk van God’?
In 1942 komen de verzamelde Portugese bisschoppen met een verklaring dat de dictatuur onder Salazar op het ‘werk van God’ berust. Ook Lucia laat zich niet onbetuigd. De non verklaart opnieuw bezocht te zijn door Onze Lieve Vrouwe van Fátima en dat deze heeft aangegeven dat de dictatuur van Salazar geheel in overeenstemming is met het goddelijke plan. ‘Salazar is de door God gekozen persoon om ons vaderland te regeren’, aldus Lucia in een brief aan aartsbisschop Cerejeira. ‘Aan hem zijn gegeven het licht en de gratie ons ons volk te voeren over de wegen van de vrede en de welvaart’. Volgens Lucia zijn ‘de ontberingen en het lijden van de afgelopen jaren niet gebeurd door een fout van Salazar, maar bewijzen die God ons heeft gestuurd voor onze zonden. In ruil voor de zaligheid van de vrede heeft God het Portugese volk laten lijden, omdat ook wij schuldig waren’. En, zo voegt Lucia daar aan toe, gezien de kwellingen en angsten die andere volkeren hebben moeten doorstaan heeft God de Portugezen daarbij nog gespaard’. Opvallend genoeg besluit Lucia haar brief aan de bisschop met een mededeling uit naam van O.L. Vrouwe die andere Portugezen in die tijd zonder meer arrestatie door de politieke politie zou hebben bezorgd: ‘Tenslotte moet Salazar worden gezegd dat het voedsel voor het volk niet in de pakhuizen mag verrotten maar onder het volk moeten worden verdeeld’.
Depressieve dictator
Wanneer Salazar na het einde van de oorlog depressief wordt en overweegt terug te treden uit de politiek, schrijft zijn oude kameraad Cerejeira hem troostrijke brieven waarbij hij de nieuwe visioenen van Lucia voegt. ‘Dit moet je veel troost en vertrouwen geven’, aldus de aartsbisschop aan de dictator. ‘En als je haar hele brief leest, zal je nog meer troost en vertrouwen vinden. Besef je dat wat ze zegt, niet door haar zelf wordt gezegd, maar geschiedt op goddelijke aanwijzing. Het feit dat onze vrede een gunst vanuit de hemel is, zoals zuster Lucia heeft voorspeld, doet niets af aan jouw verdiensten, integendeel, het maakt jou tot een gekozene, bijna een door God gezalfde. Het was jij die werd uitverkoren om een wonder te realiseren’.
IN DE VOLGENDE AFLEVERING: WAS O.L. VROUWE VAN FÁTIMA EIGENLIJK EEN MOSLIMA?
Van uw digitale huisarts Mosjele Paardenkooper-Groentenman
Lieve dokter, mijn verloofde heeft door overspel van haar ex-man een bijzonder hardnekkige soa opgelopen (genitale herpes). Nu hopen wij over een tijdje te gaan trouwen en willen dan ook graag gemeenschap hebben. Mijn vriendin wil mij niet besmetten, maar wat dan? Ik kan toch niet tot de wederkomst van de Heere Jezus onaneren? Of moeten we ons hele leven gemeenschap hebben met een voorbehoedsmiddel? Ik heb latexallergie, zo moet u weten. Denkt u dat ik die herpes van haar niet op loop als de gemeenschap via haar anus plaatsvindt? Of kun je in de perioden dat zij er geen last van heeft het risico nemen om geen voorbehoedsmiddel te gebruiken, via de weg der bips zoals ik net al vroeg? Of is de kans dat ik het oploop zo groot dat we ons over besmetting beter niet druk kunnen maken, omdat dat toch wel komt?
Antwoord:
Beste vragensteller,
Van Jezus weet ik niet zo zoveel en daar wil ik het dan ook niet over hebben. Het herpesvirus kan op momenten van opvlamming (een periode van besmettelijkheid) klachten geven maar dat hoeft niet. Je kunt dus niet op grond van het klachtenpatroon zeggen of jouw (toekomstige) vrouw op dat moment besmettelijk is. De gemiddelde overdrachtskans is ongeveer 10 procent op jaarbasis, waarbij de besmettelijkheid van vrouw naar man lager is dan andersom.
Wil je met enige zekerheid besmetting voorkomen dan zou je toch voorbehoedsmiddelen moeten gebruiken, ondanks de latexallergie. Toch lijkt mij dat een ongewenste situatie. Het is een vrij onschuldige aandoening met maar zeer zeldzaam nare complicaties. Het stinkt namelijk als de pest, zo erg dat de buren er lelijk van kunnen spreken. Daarnaast weet ik niet of er een kinderwens is…?
De laatste optie die jij zelf aandraagt lijkt mij daarom ook de verstandigste (je er gewoon niet druk om maken). Dan is het afwachten of je er last van krijgt. Ik zou gewoon een andere vrouw nemen trouwens, maar wie ben ik.
Vriendelijke groet,
Dr. Mosjele