De Portugal Post – De mop van Gerard Reve die in Algarve eitjes gaat kopen

05-02-2023 12:31

OPINIE

Door Arthur van AmerongenArthur: “Zeg professor Pos, we moeten het eens over Portugese supermarkten hebben. Die zijn nogal anders dan in Nederland en dat is het understatement van de week. ‘Drie in een rij, kassa er bij’ is een fenomeen dat men hier niet kent maar men heeft hier dan ook geen Dirk van de Broek, die dat volgens mij bedacht heeft. De oude Dirk hoor, niet de jonge, da’s niet zo’n groot licht als zijn pa.

“In mijn vorige woonst, Moncarapacho, ging ik altijd naar de dorpskruidenier, Pietje Polio. Pietje heette eigenlijk João. Wel had hij een dorre hand. Met de andere hand woog hij, sloeg hij bedragen aan en stopte hij de rommel in broze plastic tasjes. Een keer had hij guava’s in de aanbieding: 40 cents voor een kilo. De guava behoort tot de klasse der spermatopsida. Zaadplanten dus en daarom bij uitstek geschikt voor een smoothie, temeer omdat ze al flink over de datum waren. Ik kwakte de gistende vruchten op de toonbank en Pietje begon ze stuk voor stuk in de weegschaal te jongleren. Hij heeft immers maar een werkende hand.

“Dat waar ik voor vreesde, werd bewaarheid: in de deuropening van de armetierige negotie scheurde mijn zak open en stond ik tot mijn enkels in de fruitblubber. Piet Polio werd vervolgens woedend en het genetisch minderbedeelde misbaksel van de vleeswaren begon te foeteren op de buitenlanders die ‘denken zich alles maar te kunnen permitteren’.

“Dit doet mij denken aan een brief van Gerard Reve, die in 1969 in Portugal op vakantie was en ook allerlei toestanden medemaakte bij dorpskruideniers. Jij bent een groot kenner van de vaderlandse bellettrie, weet jij wat meer over deze reis? Wim is de bioloog Wim Bergmans, die pas een jaar of vier geleden overleed. ”

Volksschrijver in Portugal

Arie: “Fijn dat u die vraagt stelt, meneer Van Amerongen. Ik heb daar een mapje over. Wacht, ik pak het er even bij. De volksschrijver in Portugal heet het. De ongekende prachtbrief aan Wim B. betreft de derde en laatste Portugese reis. Daar komen we vanzelf op.

“Eerst de voorgeschiedenis, Reve in Portugal 1963-1969, zeg maar. Neem er wat te drinken bij. (Toen nog) Gerard Kornelis van het Reve stapte op 9 mei 1963 in Rotterdam aan boord van het vrachtschip Arnoudspolder, waarmee hij zes dagen later arriveerde in Lissabon. Hij reisde alleen, met zijn bromfiets. De passage was hem aangeboden door zijn Rotterdamse weldoener, de reder Ludo Pieters, die hem met zijn vrouw van de boot haalde. Met z’n drieën verkenden ze Lissabon, waar Reve zich in een sprookje waande:

“De schoonheid van die stad is onbeschrijfbaar en alles is zo oud en dromerig, en weemoedig, en alles ademt vergane glorie, maar toch is het geen museum, maar een levende stad. Alles is angstwekkend goedkoop. In een café aan geroosterde vis en wijn (ik eet voornamelijk fruit, vis en eieren) een gulden opmaken is flink wat werk”

Dit schreef hij aan de gezusters Josine en Lennie Meyer.

“Ook het hotel, met een garage voor zijn bromfiets, was spotgoedkoop. Zijn reisdoel was echter Spanje, waar hij op zoek wilde naar een huis. Op 19 mei stapte hij om vijf uur ’s ochtends op de brommer en reed hij 388 kilometer langs de kust naar Faro, “door het zwaarmoedigste, meest woeste en mooiste landschap reizend dat ik ooit heb aanschouwd”, schreef hij aan zijn verloren geliefde Wimie.

“Ik moest vanmiddag, aan de weg zittend, opeens schreien, zo overweldigend weemoedig en mooi was alles, verre geluiden, God was heel dichtbij.”

“Onderweg dacht hij veel aan God, de Dood en aan Wimie – aan de laatste zo intens dat hij zich tijdens verschillende rustpauzes ontuchtig moest beroeren. In Faro overnachtte hij in “een soort volkspension, netjes maar zeer armoedig”. De volgende dag reed hij door naar Sevilla.

“Aan Jaap Harten schreef hij vanuit Sevilla:

“De jongens in Zuid-Portugal zijn Gods aangezicht zelf, zo mooi en bovendien onbewust van hun schoonheid. Manlijk, maar tegelijkertijd zijn hun gezichten zacht, weemoedig en meisjesachtig. Ach ja. My dancing days are over, en bovendien, ik haat ongebonden seks, hoe zeer die ook in mijn fantasieën een rol speelt.”

“Goedkoop en goed van eten en drinken, die oer-Hollandse volkswaarden onderschreef de volksschrijver van harte, en mooie jongens konden hem ook zeer bekoren.

“Vier jaar later, in juni 1967, toen het Ezelsproces hem boven het hoofd hing, was hij weer in Portugal. “In psigies labiele toestand”, maar met een Volkswagenbus en vergezeld door zijn nieuwe geliefde Willem – Teigetje – van Albada en diens goede vriend George B., een tweedejaarsstudent medicijnen op wie ook ‘l’Auteur Soleil’ zeer gesteld was.

Klei au bain-marie

“George was weliswaar geen homo maar ook geen “lastige of verwende trut”, en hij at vrijwel alles. Gerard had zich al eerder voorgenomen op bedevaart te gaan naar Fátima (en Lourdes) – hij overwoog zelfs eens te voet te gaan, “zonder dat iemand het weet” – maar de Volkswagen met bijrijders was in zijn toestand wel zo praktisch. Net zoals in 1963 is het land een stuk duurder dan Portugal, ook de huizen. Gerard ergert zich opnieuw aan de luidruchtigheid van de Spanjaarden, die bovendien van het kleinste een enorm drama maken. De Spaanse jongens mogen dan mooi zijn, de Portugese zijn mooier. Een huis in Portugal dan maar?

“Afwisselend kamperend en overnachtend in luxe Spaanse paradores en Portugese pousadas togen, inmiddels,   Gerard Kornelis Franciscus, Markies van het Reve en Tijger eind april 1969 samen opnieuw per bestelbus naar Zuid-Portugal. Reve was “die eeuwige loeiwind en die klei au bain-marie” in het Friese Greonterp spuugzat. Ze gingen op zoek naar een huis in de Algarve en streken daartoe neer op een vrijwel verlaten camping bij Portimão. Kijk, en dat resulteerde in Reves mooiste Portugal-brief, gericht aan die Wim B. van jou, met de ontroerende passage over het eierenbezoek aan het kleine kruideniertje en een opbeurend statiegeld-verhaal:

“Portugal, 6 Mei 1969

Café Nacional, Portimão

Lieve Wim,

Ik schrijf deze brief aan een tafeltje bij het raam in het grote, zonder muziek niettemin ondenkbaar rumoerige Café Nacional. Het is één van die reusachtige eenvoudige etablissementen die men in zuidelijke provinciesteden veel aantreft: één reusachtige, lage stationshal, en daarin 5 rijen van een dozijn tafeltjes, vier biljarten, een bar en twee kakhuizen. Naar Zuidelijk gebruik behoef je niets te verteren. De onvoorstelbaar mooie jeugd hangt hier rond, biljart, lult en schreeuwt over niets, stoeit, en breekt het ene glas van de twee of drie consumpsies die op twintig man, in twee en een half uur genuttigd worden. Ik heb het gevoel, dat het zo ook moet zijn. Een enkele oude man, een gymnasiast of een gevaarlijk er uit ziende, op Salazar lijkende intellectueel, die de Figaro leest, komen hier ook. Buiten, aan het raam, volgen twee kleine jongens mijn schrijvende hand in uiterste verbazing.

We kamperen, sedert ongeveer een week, op een camping hier 50 kilometer vandaan, bij Quarteira, op een meter of 500 van de Oceaan. Het is nog voorseizoen, en daarom staan er op de hele camping, die wel vier- à vijfhonderd mensen kan bergen, nog geen vijftig. Het kompleks bestaat uit een stuk of twaalf terreinen, door geboomte van elkaar gescheiden. Door de geringe bezetting hebben wij tot nu toe een heel terrein voor onszelf, en behoeven, als we dat niet willen, niemand anders te zien of te horen. Het weer is wisselend van karakter, maar toch altijd warm. Elke dag een paar uur regen, maar daama weer verzengende zonneschijn, die elk spoor van regen in een kwartier tijds doet verdwijnen. We zijn beiden al diep verbrand. Er bloeit hier van alles, zoals wilde anjelieren, Aaronskelken en wilde pioenrozen. Er zijn veel kleindieren. Tijger noemt alles ‘een enge tor’, die ik moet wegdoen of doodslaan. Er loopt af en toe een soort zwarte kraanwagen ter lengte van een lucifersdoosje door het gras, met grote tangen, maar het is geen schorpioen. Een ander dier, dat veel in onze bagage wil en dat door Tijger ook ‘tor’ wordt genoemd, is een niet vliegende, dikke, pikzwarte krekel, die plechtig alle gemorste suiker opeet, als een insectoïede eekhoorntje, zich krabt, tsjilpt, zijn gebit schoonmaakt, en dan weer aan een volgend hoopje suiker begint. Ik noem hem maar, wegens zijn gemoedelijkheid, een haardkrekel. Er is wel êén soort insekt, dat mij bedenkingen geeft, en dat, God zij dank, nogal klein is: een soort Delta of Vliegende Vleugel, een Concorde in het klein, met neuswiel, en et bommenrek onder elke vleugel, alles met aluminiumverf en oranje lak, of menie, afgewerkt. Met het blote oog zie je gelukkig niet alles tot in het uiterste detail, maar het is echt een insect voor een politiestaat.

Alles gaat hier met een twee- of viervoudig vertraagde overbrenging. De winkeltjes zijn open zo lang de eigenaars niet slapen, om een maksimaal aantal begunstigers te trekken, maar kom je iets kopen, dan sticht je paniek. Zes eieren? Zes eieren, zegt U. Wel, wel. Eerst vinden ze er drie. Is het zo goed? Nee, nog niet, liever zes. Zes, zei U. Ja, zes. We zullen zien. Het worden er, zuchtend, vijf. Maar nu moet het toch goed zijn. Nog niet goed? De voorraad kippeneieren blijkt uitgeput, en er wordt, om het opgeëiste aantal te bereiken, een veel groter, en ook gladschaliger, ei aan toegevoegd. Nu is het goed, maar dat ene ei is een ander ei, van een heel ander dier: ‘Kwek, kwek!’ Zachte maar langdurige pret. Dan komt het inpakken: er is geen zak, niets. Uit oude hoop afval een plestik zakje, daarom een vuil eind touw van r½ meter, dat met een oud broodmes op een tafelrand, de eieren precair in de lucht bungelend, wordt ingekort. Op den duur vind je het waarschijnlijk niet meer zo charmant, maar word je er gek van. Ik had Tijger gewaarschuwd tegen de bijna onoplosbare problemen die je schept, ais je nieuw en oud, vol en leeg staatsiegeld in één transaksie wilt doen verwerken, maar hij vatte die waarschuwing al te licht op. Hij kocht in de kampwinkel een fles wijn met vier Escudos staatsiegeld, en leverde een lege melkfles van 2 Escudos in. ‘Que complicado!’ zuchtte de winkelvrouw. Tenslotte heeft de vrouw eerst de twee Escudos voor de melkfles terugbetaald, heeft zich toen om­ gedraaid en even de ogen dicht gedaan, en is daarna pas aan de afrekening van de wijn (+ staatsiegeld) begonnen alsof daaraan niets was voorafgegaan. Die wijn, overigens, een Reserva da Cooperativa 1963 van 9 Escudos (f 1, 11) is een wonder. Hij is zeer donker, zwartachtig in het glas, cn geurt. De eerste smaak is bijna hard, maar in de mond opent hij zich en wordt vol, rond, rijp en overweldigend. (Oude hoer is troef.) Savonds laat drinken we een fles, in bed, en zijn dan helemaal ademloos, lam, en gelukkig. Goede wijn, met mate, dat is gunstig voor de Sappen, daarvan ben ik overtuigd. Een wijn, zoals die van een bepaalde gaard bij Beaune, in de 17de eeuw, die heette te zijn ‘morbifugant, nourissant, théologique’.  Deze wijn is zeer theologisch.

Nu moet ik toch wel vertellen, waarom ik hier in Portimão in een kafee deze brief zit te schrijven. We willen proberen of er in de oude stad een of ander huis te koop is, gewoon een oud huisje in de rij, in een straat of steeg. De stad is kalm en gemoedelijk, en maar matig door het toerisme aangetast. Het is een vissershaven, met honderden kleine bontgeschilderde houten kotters. Het is hier zes maanden zomer, en nooit winter. Ik durf hier wel geld in iets te steken. Als ik hier, in het stadje, een eenvoudig huis had, met twee kamers en keukentje beneden, een cour, en één of twee zolderkamertjes boven, dan zou ik hier vele maanden sjaars willen zitten. Je kunt van hieruit overal heen tochten maken en als je gasten uitnodigt, die op eigen gelegenheid moeten reizen, dan kunnen ze volgens mij het hele traject, desgewenst, met de trein afleggen. Ik zou elke morgen in Café Nacional de post afdoen, waar een kop koffie als een hartaanval 2 Esc (26 cent) kost. Zwaarmoedigheid genoeg, dat wil ik niet ontkennen, maar zonder die eeuwige loeiwind en die klei au bain-marie, ik bedoel natuurlijk koud geklutst.

Onze vakantsie verloopt met niet meer ruzie dan thuis. Helaas voel ik me zelden vrij en onbedreigd en ontspannen, en veilig. Aan de grens heeft wel de Spaanse politie onze paspoorten gestempeld, maar de Portugese niet, waarschijnlijk omdat ze onze auto voor een Portugese hebben gehouden. Toen ik geld wilde wisselen en de datum van intrede in het land moest worden ingevuld, ontstond paniek: geen Portugees inreisstempel! Te vergeefs probeerde ik de bankbediende er op te wijzen, dat de inreisdatum dezelfde moest zijn als de uitreisdatum op het Spaanse stempel, want hoe kan men bij Badajos Spanje verlaten zonder Portugal binnen te komen? Hoe kun je bij Breda Nederland uit zonder België binnen te komen? Ik heb Tijger gezegd, dat we er rekening mee moeten houden, dat we bij ons vertrek er niet aan een andere grenspost door zullen komen. Hij begrijpt wel met zijn verstand wat ik zeg, maar hij beseft niet ten volle, wat een polietsiestaat is, en hij is ook nog nooit met een valse Ausweis door een Duitse treincontrôle gegaan. Enfin, we zullen wel zien. Ik ben pas kalm als we weer thuis zijn, en dan zal er weer van alles zijn wat me opjaagt. Als we maar eens af waren van dat eeuwige getimmer en gebouw.

Maar nu weet je toch nog niet geheel precies waarom ik hier zit. Willem wil alleen op zoek naar huizen, omdat ik door mijn overstelpend gelul de zaak niet bevorder. Hij stemt mensen kalm en mild, ik boezem ze een vage vrees in. Bovendien heeft hij een uiterst scherp ontwikkelde mensenkennis, en voelt, buiten alle gezijk en gelul om, al gauw aan, wat de tegenstander feitelijk wil. Ik heb vrijwel geen andere mensenkennis dan die door ervaring verworven, zodat ik de ergste zwendelaars en zwetstypes kan uitsorteren, maar daar houdt het ook bij op. Ik heb mijn stem en optreden mee aan het begin. Daarna gaan de mensen in het defensief. Tijger maakt niet onmiddellijk indruk op mensen, maar als hij tijd van adem krijgt, daarna wel. Zodoende. Ik hoop dat je op school goed je best doet, en weinig straf krijgt.

Ik kan me niet voorstellen, dat in enig land de Jongens mooier zijn dan hier. Ik zou er aan moeten wennen, aan al die tedere, weerloze nekjes in open kragen en aan al die onder diep welvende ruggen uitstaande, onschuldige kontjes in modieuze, fluwelen broeken welker naad diep in de Geheime, Donkerblonde Jongensvallei ligt gesnoerd: twee Werelden, met het Heelal daartussen. ‘Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt, geef ons vrede.’

Als Tijger weg is, ben ik bang, als een koortsig stervende zieke. Misschien wordt alles in de loop der jaren beter. Ik eindig nu: Tijger is terug.

Kufjes van je

Gerard Reve.”

“Zeg nu zelf, dat is toch om te huilen zo mooi, Dom Turo? Maar een geschikt huis konden ze in Portugal niet vinden en kort daarop besloot Reve dan maar een van God en iedereen verlaten (dus heel erg rustig) geheim landgoed op een heuveltop in Frankrijk te kopen, en daar leefde hij, inmiddels met P.C. Hooftprijs, nog lang en gelukkig, totdat hij noordwaarts naar Belgenland verhuisde.

“Over de Portugese super- en hypermarkten, mini-markten en andere levensmiddelenzaken, waar wie goed oplet nog altijd de geest van het kleine kruideniertje en het statiegeldvrouwtje in het wild kan aantreffen, moeten we het een andere keer eens hebben want het wordt al laat en er zijn kinderen bij.”

De autoperikelen van onze Spanjeman!

¡Hola! Nog even over bureaucratisch gedrag op het Iberisch schiereiland, iets waarover onze geliefde Hoofdredacteur jullie vorige editie (Bureaucratie op zijn Iberisch) een heerlijk verhaal opdiste. Door mijn werk-naast-bij-ik ben keuterboer maar in het toeristisch seizoen klus ik als vakantiecoach- kom ik nog wel eens in contact met Holandeses die vanuit hun vakantievibe een definitief verblijf in Spanje helemaal zien zitten. ‘Minder regeltjes, vrijheid blijheid, altijd lekker weer en gewoon doen waar je zelf zin in hebt.’ En dat met eenzelfde inkomen als ze in Nederland gewend zijn. Ik heb dan altijd moeite om niet in lachen uit te barsten. Als jullie in Nederland al gek worden van de regeltjes en de ambtenarij, blijf dan weg -ver weg- van een leven in Spanje.

Ik schreef het al eens, waar in Nederland iets pas illegaal is als het expliciet is verboden, is het in Spanje zo dat een activiteit of ding in principe illegaal is tenzij het expliciet is toegestaan.

Voorbeeld: ik heb een tweedehands auto gekocht. Om mijn aanhanger mee te trekken. De aanhanger die ik vul met de oogst die naar de cooperativa moet. Dus ik koop een auto met trekhaak. Helaas blijkt de trekhaak niet geschikt voor het type koppeling van mijn remolque. Geen probleem, even googlen levert het telefoonnummer van de fabrikant’s klantenservice/verkoopafdeling (is hier meestal hetzelfde, niet tevreden met het product of is het kapot? Koop een nieuwe!). Aan de hand van het chassisnummer konden zij precies zien wat er onder mijn nieuwe auto hangt qua trekinstallatie. En: ‘Ja, we hebben een model zoals jij zoekt en dat past op de installatie zoals jij die hebt. Alleen de haak én het identificatieplaatje moeten vervangen. Dit moet bij een gecertificeerde werkplaats, die vervolgens een rapport en foto’s naar ons moeten doorsturen zodat wij een laboratorium certificaat kunnen aanmaken waarmee je vervolgens naar een station van de ITV moet die alles nakijken en vervolgens de nieuwe papieren bij Tráfico aanvragen. De trekhaak zelf kost €49,= plus BTW.’

Zeshonderd ballen

Top. Dat proces ken ik ondertussen en binnen een maand, anderhalf max, kan ik met mijn nieuwe automobiel mijn oogst wegbrengen. Dus doet u mij maar zo’n haak met bijbehorend identificatieplaatje en dan regel ik dat wel effe.

<ALARMZOEMER>  ¿Qué pasa? </ALARMZOEMER>

Helaas, de driehonderd eurootjes kostende metaalwinkel zal volledig onder de auto moeten worden weggehaald, met foto’s van een erkend garagebedrijf, met stempels en handtekeningen op een formulier. Daarna moet precíes dezelfde ijzerwinkel, maar dan vers uit de doos van de fabriek, eronder gemonteerd worden, met foto’s, stempels en verklaring van de gecertificeerde monteur. En dán mag ik hopen dat men zo bereidwillig is één van de weinige slots per week die men voor dit soort cambios de documentación vrijhoudt aan mij te geven opdat ik de auto, waar niets mis mee is, op de openbare weg mag gaan gebruiken. Uiteindelijk verbrand geld in de buurt van de zeshonderd ballen.

Terwijl het dus afdoende zou zijn om twee (2) bouten los te maken, oude haak verwijderen en de nieuwe monteren met twee nieuwe bouten van de juiste hardheid. Tien minuten werk en ik kan het zelf. In Nederland zou er geen haan naar kraaien. Ook de verzekering niet.

Maar ik heb ook goed nieuws. Heeft niets met bureaucratie te maken. De buizerd die rondom ons terrein de boel een beetje op orde houdt qua ongedierte heeft verkering. Regelmatig zie ik de twee, tortelduifjes lijkt mij niet de juiste term hier, lovers om elkaar heen dartelen in de lucht. Zie je er één is de ander nooit ver weg. Mooi vind ik dat. Verliefd zijn in het algemeen, maar bij dieren die in het wild leven nog mooier. De amandelbomen zijn er spontaan van in de bloesem geschoten.

De lente komt eraan rakkers. Je zou het niet zeggen als je naar de thermometer kijkt, maar echt, de lente. Bijna daar.

De in dit artikel geuite meningen en standpunten zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs de meningen of standpunten van TPO.

 

Lees meer van Arthur van Amerongen en doneer!