De AIVD staat op de derde plaats in een Europese ranglijst van inlichtingendiensten die het Franse weekblad L’Express opstelde. Alleen het Britse MI6 en de Franse DGSE eindigen hoger.
De lijst verscheen op 2 augustus en is gebaseerd op de stemmen van zestig hooggeplaatste westerse inlichtingenfunctionarissen. Elk jurylid koos vijf buitenlandse diensten en verdeelde daarover punten: vijf voor de eerste plaats, aflopend tot één voor de vijfde. De twee criteria waren effectiviteit en betrouwbaarheid.
Zestig functionarissen verdeelden de punten
MI6 kwam uit op 251 punten en eindigde daarmee ruim bovenaan. De Franse DGSE volgde met 169 punten, de AIVD met 97. Op de vierde plaats staan de Oekraïense diensten SBU en HUR, die samen 77 punten kregen; de Duitse BND sluit de top vijf af met 62 punten.
Zweden, Noorwegen, Estland, Polen en Denemarken maken de top tien vol. Roemenië en Spanje volgen op de elfde en twaalfde plaats. De Nederlandse dienst eindigt daarmee boven diensten van landen die aanzienlijk meer geld en personeel in inlichtingenwerk steken.
AIVD scoort op cyber en op partnerschappen
Volgens onderzoeksjournalist Huib Modderkolk zit de kracht van de dienst vooral in het digitale domein. “De AIVD werkt met de militaire inlichtingendienst MIVD in een speciaal cyberteam”, zegt hij. Dat team is gespecialiseerd in het binnendringen van Russische en Chinese netwerken.
Nederland concurreert daarmee niet op omvang maar op specialisme, aangevuld met internationale samenwerking — onder meer met Estland en de Verenigde Staten. Het dreigingsbeeld waarop de dienst zich richt is breed, van digitale aanvallen tot sabotage van vitale infrastructuur.
De AIVD is de civiele inlichtingen- en veiligheidsdienst en valt onder het ministerie van Binnenlandse Zaken; de MIVD is de militaire tegenhanger en valt onder Defensie. Over lopende operaties doen beide diensten geen mededelingen, wat elke vergelijking tussen landen tot een oordeel van vakgenoten onderling maakt.
Wat de ranglijst precies waard is, valt van buitenaf niet vast te stellen. Het gaat om een peiling onder zestig vakgenoten, niet om een meting van resultaten — en het werk van inlichtingendiensten is per definitie niet openbaar te controleren. Een volgende editie van de lijst is niet aangekondigd.