In Australië is voor het eerst vogelgriep vastgesteld bij een zoogdier. Het gaat om een dode zeebeer die bij Beachport in Zuid-Australië werd gevonden.
Het laboratorium van het Australian Centre for Disease Preparedness van onderzoeksinstituut CSIRO bevestigde de besmetting met het hoogpathogene H5-vogelgriepvirus. Het dier lag zonder zichtbare verwondingen op het strand. Volgens landbouwminister Julie Collins zijn er in de omgeving geen andere zieke of dode zeezoogdieren aangetroffen.
Vogelgriep bereikt Australië als laatste continent
Australië was tot voor kort het enige continent dat vrij bleef van deze variant. Langs de zuidkust zijn inmiddels meerdere uitbraken vastgesteld, onder meer bij de kuifstern en de dwergpinguïn in dezelfde regio rond Beachport.
Helemaal onverwacht is de vondst niet. In juni documenteerden onderzoekers massale sterfte onder zeeolifantpups op de Heard- en McDonaldeilanden, Australisch gebied op bijna vierduizend kilometer van het vasteland. Ook daar werd vogelgriep als oorzaak vermoed.
De aangetroffen soort komt in de wateren van de deelstaat naar schatting honderdduizend keer voor. Dat het virus nu bij een zeezoogdier opduikt, past in het patroon dat elders op de wereld is gezien: waar de besmettingsdruk onder wilde vogels hoog is, springt H5 over naar dieren die zich met vogels of hun kadavers voeden.
Australië vaccineert bedreigde vogelsoorten
De Australische overheid begon eerder met het programma Plan van Noach, waarmee bedreigde vogelsoorten worden ingeënt. Eén dosis kost ongeveer 800 euro en elke vogel heeft twee prikken nodig; in totaal is er zo’n 1,2 miljoen euro voor uitgetrokken.
Wetenschappers vrezen vooral massale sterfte onder de unieke Australische fauna, zoals die elders al is opgetreden. Het virus treft in de eerste plaats vogels; sinds 2021 stierven wereldwijd honderden miljoenen wilde en gehouden vogels. Zoogdieren en mensen kunnen besmet raken, maar alleen bij langdurig en intensief contact met besmette dieren, wat zelden voorkomt.
De zorg zit in de lange termijn. Hoe vaker het virus in zoogdieren terechtkomt, hoe meer gelegenheid het krijgt om te muteren — en dat is precies wat het risico voor mensen zou vergroten.