Leven

Selectie aan de poort in Oxford

05-10-2011 13:00

Dominus Illuminatio MeaWaar men in Nederland op de universiteiten al een maand aan de slag is, is Oxford pas het afgelopen weekend volgestroomd met studenten. Het is Naught Week. Week 0. Pas maandag, op tien oktober, beginnen de colleges. Oxford is deze week het toneel van groepjes en groepen meer of minder luidruchtige studenten, zich haastig van vergadering naar overleg naar introductie slepende professoren en normale mensen die half teleurgesteld, half geamuseerd vaststellen dat het circus weer begonnen komt. Lang duurt het overigens niet: Michaelmas Term duurt welgeteld acht weken, en dan stroomt de stad rond één december alweer leeg.

Maar het ene academische jaar is nog niet eens begonnen, of het volgende kondigt zich alweer aan. Over twee weken sluit de inschrijving voor aankomende eerstejaars, en start de selectieprocedure. Iedereen kan zich inschrijven, maar de selectie is, zoals bekend, niet misselijk (en dan druk ik me voorzichtigjes uit): je moet een flink CV overleggen, uitzonderlijk goede punten meenemen, een motivatiebrief schrijven, en een stevige aanbeveling vanuit je middelbare school meekrijgen. Vervolgens mag een kleine groep excellenten gelukkigen zich straks in December in Oxford melden voor admissions interviews bij één van de colleges. Vorig jaar nam ik op één van de colleges interviews af voor Classical Archaology en Ancient History (CAAH): van de dertien mensen die we spraken gaan er volgende week als het goed is twee daar aan hun opleiding beginnen. De rest heeft het niet gehaald. Jammer, helaas, en als u na zes generaties in uw familie de eerste bent die het niet redt: we are very sorry for you.

Nu is er een probleem: er zijn teveel inschrijvingen. Het systeem piept en kraakt in zijn voegen. De hoeveelheid dossiers die men moet doorwerken loopt de spuigaten uit. Men krijgt het niet meer voor elkaar. Dus heeft de universiteit gisteren een inkijkje gegeven in het de selectieprocedure. Wat vragen ze nou zoal op zo’n interview? Wel. Een paar voorbeelden voor biologische “hoopvollen” zoals kandidaat-studenten in de media genoemd worden:

‘Lieveheersbeestjes zijn rood. Aardbeien ook. Waarom?’

‘Waarom hebben Leeuwen eigenlijk manen?’

‘Tijgers sterven wellicht uit. Is dat een probleem?’

En dit zijn dus de – willekeurige – binnenkomertjes. Stel, je hebt toevallig die discoverydocumentaire gezien waarin uitgelegd wordt waarom Leeuwen manen hebben. Prima. Lepel je rustig op wat je gehoord hebt. Maar dan komt gewoon de volgende vraag: ‘Dat is inderdaad een verdomd interessante theorie, meneer de kandidaat. Hoe zou je eigenlijk kunnen vaststellen of ie klopt?’.

Aankomende rechtenstudenten kunnen, zo wordt met enige graagte verteld, vragen krijgen als “Als je voor parkeren op dubbele gele lijnen de doodstraf zou krijgen, en niemand het dus deed, zou dat dan een rechtvaardige en effectieve wet zijn?” Of iets totaal anders waar je nog nooit aan hebt gedacht en waar je stante pede antwoord op moet geven, terwijl je voortdurend onderzoekend aangekeken wordt door een hoogleraar die dit eigenlijk wel een grappig kat-en-muisspelletje vindt. Dit alles op zijn met boeken en eruditie beklede, wat rommelige werkkamer in een voor jou totaal onbekende omgeving in een achttiendeeeuws college.

De universiteit kleedt het in als ‘voorlichting geven’ over het ‘selectieproces’, maar de impliciete boodschap van het bericht is natuurlijk duidelijk: ‘Doe. Het. Niet. Kom niet hierheen. Dit is voor jou niet weggelegd. Verspil je onze tijd er niet aan.’ Het zal niet helpen, natuurlijk: de hoopvollen zullen zich in drommen melden. De enigen die het afschrikt zijn mensen die niet uit een Oxford-omgeving komen: state school, geen familiegeschiedenis op Oxford, wel slim, maar een beetje bescheiden. Dat past in het plaatje, want ondanks alle wet- en regelgeving die voor gelijke kansen zou moeten zorgen, slaagt Oxford (net als Cambridge) er maar in heel beperkte mate in om een gemengd publiek te trekken. Het is en blijft hier toch wel behoorlijk ‘wit-met-sproeten-en-rijke-ouders’ en ‘hee-jouw-vader-studeerde-met-de-mijne-ook-al-op-dit-college’.