Extreme cinema (1): Regisseren met de scalpel

21-10-2011 14:03

Elke vrijdag bespreekt Joep Smaling voor DeJaap.nl een controversiële film van een regisseur die geweld en ander expliciet realisme niet schuwt. Het is een verkenning van extreme cinema vlak voor en na de millenniumwisseling. Wat willen deze regisseurs die de scalpel hanteren en hun kijker eerder opzadelen met een gevoel van onbehagen dan een fijne filmervaring? Is het simpel effectbejag of zijn hun intenties anders van aard? Het wordt een tienluik dat begint met Funny Games (Haneke, 1997/2007)). Hierna volgen Carne/ Seul Contre Tous (Noe, 1998) The War Zone (Roth, 1999), Baise Moi (Despentes, 2000), Irreversible (Noe, 2002), Twentynine Palms (Dumont, 2003), The Great Ecstasy of Robert Carmichael (Clay, 2005), Martyrs (Laugier, 2008), Srpski Film (Spasojevic, 2010).

De films van illustere grootheden als Michael Haneke, Gaspar Noe en Von Trier worden of de hemel in geprezen of uitgekotst. Hoe meer expliciet geweld ze bevatten, hoe harder het boe-geroep op een festival als Cannes. Deze drie regisseurs, de meer gevestigde namen van een uitzonderlijke groep die zelden concessies doet, stappen met elke film wel op de tenen van een of andere criticus, festival of kijkersgroep. Niet omdat de films slecht zijn, maar omdat ze (te) expliciet zijn en het grove geweld niet schuwen. De films die ze maken – of bepaalde gewraakte scenes – zijn bijvoorbeeld niet overduidelijk politiek-correct of vol van kunstige subtiliteit. Ze zijn ‘te’ gewelddadig en ambigue en al snel volgt het oordeel dat ze daarom geweld zouden ‘verheerlijken’.

Perfect geweten
De gemakzuchtige criticus of kijker kiest er voor om slechts te walgen en zijn afkeer uit te spreken bij het minste of geringste spoortje van iets wat als ‘fout’ kan worden bestempeld. In tegenstelling tot wat veel critici beweren, geloof ik niet in de slechtheid van deze regisseurs. Mijns inziens zijn ze verre van slecht of immoreel, maar beschikken ze juist over een perfect geweten. Een geweten dat ze bovendien aanwenden om de kijkers te activeren. Was dat niet wat de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon bedoelde met: ‘Schop de mensen tot ze een geweten krijgen!’? Om tot mensen door te dringen volstaat geen zedenpreek. Dat wisten de Amerikanen die het concentratiekamp Buchenwald bevrijdden al. Voornoemde regisseurs maken geen films die braaf alle conventies volgen. De consument wordt serieus genomen, want de filmmaker stelt hem in staat de film actief te verwerken. Hij doet een beroep op zijn vermogen geweld te verdragen en daar vervolgens zelf zijn oordeel over te vellen. Een veel gehoord argument is dat zo veel expliciet geweld niet nodig is, dat de suggestie ervan al voldoende is, maar dat is een misverstand. Om de kijker echt te overtuigen van het leed van geweld moet er op ingezoomd worden en tijd voor genomen worden. De films van Quentin Tarantino bijvoorbeeld bevatten veel geweld, maar dat geweld wordt niet ingezet om de aard van de realiteit (hoe pretentieus dat ook mag klinken) te illustreren. Geweld bij Tarantino is snel, flitsend, indrukwekkend en zelfs cool gemaakt. Dat is geen waardeoordeel over de films van Tarantino, maar het maakt wel duidelijk dat je als filmmaker geweld op verschillende wijzen en met verschillende motieven kan presenteren.

Salo
Films als Pier Paolo Pasolini’s meesterwerk Salò, o le 120 giornate di sodoma (1975) zijn films die discussie aanwakkeren, die de vrijheden van de kunstenaar maximaal benutten. Dit in tegenstelling tussen de zogenaamde shock-horrorfilms als bijvoorbeeld Hostel, Saw of The Human Centipede. Dat zijn films die de kijker weliswaar niet sparen en waarin vrijelijk, soms op het absurde af, wordt gesmeten met bloed en ingewanden, maar die even oppervlakkig zijn als de gemiddelde feelgood-movie. Ook daarmee wordt het publiek behaagd dat lekker wil gruwelen. Het zijn films die voorzien in prikkels, en daarmee veilige entertainment blijven. Belangrijker: al het gebeurde wordt met zo veel pathos en filmtrucs gepresenteerd dat de kijker nog een veilige afstand ervaart tussen zijn wereld en het witte doek.

Condition humaine
Als er zoiets is als een condition humaine, een menselijke toestand van tekorten en onvolkomenheden, dan zijn het de transgressieve kunstenaars die daar aan raken. Die het discours van opgelegde taboes, wat wel en niet mag in de kunst en entertainment, doorbreken om het echte gezicht achter de façade te tonen. Zij houden geen rekening met wenselijke interpretaties van hun kunst, en begrijpen maar al te goed dat kortzichtige critici met de taboes gaan zwaaien om de kunstenaar in diskrediet te brengen. Want wat hij doet ‘mag’ natuurlijk helemaal niet. Om de inhoud van het kunstwerk niet tot zich te laten doordringen, en zo weer een veilige afstand te creëren, wordt de maker gediskwalificeerd. Als een personage homofoob, racistisch, krankzinnig of een vrouwenhater is, wordt gezegd dat de verantwoordelijke voor het kunstwerk dat allemaal is. Omdat ze het niet snappen en evenmin willen snappen. Alleen dan is de wereld weer veilig. Maar ze vergissen zich en zien een belangrijke functie van de kunst over het hoofd. Wie bijvoorbeeld iets wil begrijpen van het leed dat een gewelddadige verkrachting teweeg brengt, doet er goed aan Irreversible te kijken. Die ervaring geeft meer inzicht en wekt meer compassie dan welk statisch, droog nieuwsbericht ook. De filmconsument dwingen mee te leven met de gruwel die zo iemand moet doorstaan is bijna een daad van rechtvaardigheid. Dat is een van de vele dingen die extreme cinema kan bereiken. Maar slagen de regisseurs daar ook altijd in?

Volgende week: Funny Games