Hoe het Nationaal Historisch Museum zich bij de geboorte al in de voet schoot

28-01-2012 13:00

In Postmoderne hutspot – opkomst en ondergang van het Nationaal Historisch Museum geeft documentairemaker Michiel van Erp een beeld van de opkomst, worsteling en uiteindelijke ondergang van een initiatief dat in 2006 historisch Nederland op zijn kop zette: het Nationaal Historisch Museum. Het ‘kind’ van Maxime Verhagen en Jan Marijnissen werd van een veelbelovend initiatief tot een politieke soap opera waar het Kabinet-Rutte eind 2011 definitief een streep door haalde – ironisch genoeg met het CDA in een hoofdrol.

Majesteitelijk
Van Erp volgde de twee directeuren van het museum, Erik Schilp (ex-Zuiderzeemuseum) en Vincent Byvanck (1964, ex-Zeeuws Museum). In de documentaire toont Schilp zich de doorzetter van de twee, met Byvanck in majesteitelijk gebrom op de achtergrond.

De persoonlijkheden van de directeuren droegen niet bij aan een soepele gang van zaken. Al in een vroeg stadium beklaagt de aanstaande buurman, het Openluchtmuseum, zich erover dat er nooit contact is opgenomen, en ook voor andere historische instellingen lijkt, althans op topniveau, weinig belangstelling te hebben bestaan.

Kunstmuseum?
Voor wie het eerdere werk van Schilp en Byvanck kent, kan dat overigens niet echt als een verrassing komen. Beiden verlieten hun baan bij regionale musea voor de toppositie bij het NHM. Van Erp interviewt ze in en voor hun oude musea, waar ze in de gelegenheid worden gesteld uit te leggen wat ze daar tot stand hebben gebracht. Opvallend daarbij is dat beiden getracht hebben zich juist los te koppelen van de traditionele (historiserende) doelstelling van de musea: zowel het Zuiderzeemuseum als het Zeeuws Museum hebben een transformatie doorgemaakt naar een soort hybride kunstmuseum. Dat is overigens niet zonder gevolgen gebleven: het Zeeuws Museum bevindt zich na het voortijdige vertrek van Byvanck (al voor de heropening na zeven jaar verbouwing) al in de problemen dankzij tegenvallende bezoekcijfers.

De al te openlijk artistieke doelstelling van de directeuren en hun gebrek aan politiek fingerspitzengefühl maakt, in weerwil van de door de maker beloofde ‘dramatische afloop’, de afgang eigenlijk al op voorhand onvermijdelijk. Een onbedoeld hilarische episode vindt plaats als Schilp zijn afkeer van begrippen als ‘nationaal’ en ‘historisch’ uit en daarnaast ook het woord ‘museum’ niet nodig vindt. Dat staat wel heel ver af van het ‘simpele, chronologische’ concept waar het intitiatiefnemer Jan Marijnissen ooit om begonnen was.

Tegelijk geeft deze episode aan waar het, al in een erg vroeg stadium, misgaat tussen Schilp/Byvanck en hun broodheren. Dat dit een uitsluitend door de politiek gedragen initiatief was, werd al duidelijk toen als allereerste stap een VVD-kamerlid als voorzitter van de Raad van Toezicht (die er op dat moment nog niet eens was) werd benoemd. Maar we zien de beide directeuren naar hartelust freewheelen, schijnbaar zonder enig besef van het politieke primaat.

Stagnatie
De manier waarop de discussie rond de locatie wordt gevoerd is kenmerkend. Schilp en Byvanck lijken zich geen moment bewust van de lading die hun argumenten hebben en hun manipulaties om van de vervloekte locatie naast het Openluchtmuseum af te komen, hebben steeds het tegenovergestelde effect. Van Erp wekt bijvoorbeeld de indruk dat de offerte voor de parkeergarage naast het OMN werd opgevoerd om haar politiek onacceptabel te maken. Het leidt tot vermoeide directeuren, een geschoffeerde minister en toenemende politieke stagnatie.

De fixatie op het drama rond Schilp en Byvanck laat jammer genoeg ook een aantal boeiende aspecten van deze worsteling onbelicht. Zo bestond er onder historici veel weerstand tegen dit initiatief dat (schijnbaar) met miljoenensteun en zonder enige vorm van overleg in historisch Nederland werd geparachuteerd. Het stond dan ook in schril contrast met de constante stroom van bezuinigingen waarmee de sector jaar na jaar werd geconfronteerd, en de vrees was dat concurrerende, geëtableerde instellingen de weerslag zouden voelen als de volgende beknibbelingen werden doorgevoerd.

Drama
Van Erp focust zich op het drama en daardoor ontstaat nog sterker de indruk dat al heel snel niemand er echt meer een gat in zag. De politiek begraaft zich steeds verder in spelletjes terwijl de heren zich het land laten doorchaufferen – met steeds minder fiducie in een goede afloop. Vooral Byvanck heeft de strijd al snel opgegeven.

Postmoderne hutspot (een ongelukkige titel, overigens) werd aangekondigd als ‘een unieke inkijk in het functioneren van bestuurlijk Nederland’. Maar gaandeweg de documentaire wordt duidelijk dat het aanstellen van deze twee mensen aan het hoofd in deze politieke constellatie het museum ten dode opschreef.