Sport

Heb vertrouwen in de onbekende sporter

28-07-2012 13:00

Het was dat Mart Smeets aan tafel zat, anders hadden we nauwelijks begrepen dat het over sport ging. London Late Night; het had ook een programma kunnen zijn over filmsterren op rode lopers, modellen op catwalken – of gewoon een slechte SBS-serie vol dronken jongeren.

Eerder op de avond zapten we langs voetbal. Het was spannend en van het hoogste niveau. Brazilië stond na een half uur al 3-0 voor. Egyptenaren vlogen de duels in alsof ze nog bezig waren het land te veroveren van een dictator, op een plein in Caïro. En in een echte schakeluitzending (spanning!) werden we op de hoogte gehouden van de andere krakers: Belarus tegen Nieuw Zeeland en Groot-Brittannië (samenraapsel van Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland) tegen Senegal.

Te bedenken dat we nog de mindere poule te pakken hadden, de poule des doods met Mexico, Zuid-Korea, Zwitserland en Gabon hadden we al gemist.

Eigenlijk hadden we geen idee waar het allemaal mee te maken had, die wedstrijden, maar toen het voetbal op andere netten zagen, dachten we: herhalinkjes en oefenpotjes. Daar werden de hoogtepunten van het EK 2008 en de Engelse bekerfinale van 2012 tussen Manchester United en Manchester City (die toen hun saaiste derby ooit speelden) uitgezonden. O, en Vitesse speelde tegen Heracles, dat later Lokomotiv Plovdiv bleek te heten.

Een avondje zomeravondwedstrijden, in voorbereiding voor het echte spektakel. Zoiets. Maar het bleek allemaal om meer te gaan. We zochten op in welk deel van de sportzomer we nu weer beland waren. Olympische Spelen. Dat begrepen we door Mart en zijn inleiding.

Zat er een andere tafelheer (zeg: Rick Nieman) dan was het meisje gewoon iemand waar je naast zat op het terras, of waar je in de schoenenwinkel aan vroeg: ‘Heeft u deze ook in maat 43?’ En de blonde vrouw een moeder die met de bakfiets naast haar de kinderen opwacht bij het schoolplein. Maar het waren Olympisch kampioenen (konden voetballers ook niet gewoon af en toe zo fijn gewoon zijn?). Iefke van Belkum en Minke Booij. Van Belkum, waterpoloster, olympisch goud in Peking. En Booij, hockeyster, die alles won wat er te winnen viel: elf landtitels, negen Europacups, Europese titels, Wereldtitels en Olympisch brons, zilver en goud. Beide dames wonnen jaar in jaar uit ‘speelster van het jaar’-prijzen op verschillende plekken.

En wij zaten op de bank en keken tv.

We liepen het rijtje namen door van alle Nederlandse Olympiërs. Bij te weinig namen ging er een lampje branden. Bij sommige sporten hadden we al moeite te bepalen hoe dat eigenlijk werkt. Maar we dachten terug aan vier jaar geleden, toen we op het puntje van de stoel een finale keken van waterpolo. Voor die dag zagen we nooit zo’n pot. En nu juichten we. En van de week had ik mijn hart nog een sprongetje voelen maken toen ik plotsklaps een voor mij onbekende man negen pijlen achter elkaar in precies de juiste vierkante centimeter zag gooien. (oké, geen olympische sport, maar wel ‘olympisch’ in de zin van: zie je nooit.)

Ik wist dus dat alles goed zou komen. Je kunt het me niet kwalijk nemen; een mens kan niet alles volgen. Niet van ieder team de basisspelers kennen, en de wissels, en de naam van de verzorger. Maar voor iedere sport kan ik juichen. We gaan het volgen. We gaan ze aanmoedigen. We gaan voor goud. Op Oranje.