Wielerjournalistiek treft geen blaam

17-10-2012 14:01

Sinds de ontmaskering van Lance Armstrong staat, naast het wielrennen zelf, ook de wielerjournalistiek onder druk. ‘Horen, zien en zwijgen”, twitterde NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Heeft hij gelijk? Nee. Wielerjournalisten kunnen nooit achter de waarheid komen als wielrenners zwijgen over heimelijke zaken. Het was in de afgelopen Vuelta toen ik een man ontmoette bij het ontbijt. Toen ik zei dat ik wielerjournalist was, zei hij: “Die lui stoppen zich toch elke dag vol met doping.” Wat weet jij er nou van snotaap, dacht ik nog. In plaats daarvan zei ik: “Ik weet het niet, meneer.”

Feit blijft dat ik nooit met zekerheid kan zeggen dat een wielrenner wel of geen doping gebruikt. Daar weet ik gewoonweg te weinig voor. En ook de meer ervaren wielerverslaggevers weten en wisten het niet. Daarvoor was, en denk ik is, de wielrennerij een te gesloten bolwerk voor. Het blijft verbazingwekkend dat de praktijken bij de US-Postal ploeg zolang geheim bleven. En de geheimen zouden ook geheim blijven als Hincapie, Leipheimer en consorten niet onder ede werden verhoord. Alles wat in de ploegbus of hotelkamer gebeurde, blijft daar. Niks komt naar buiten, zelfs als er iemand wordt betrapt op doping. In eerste instantie wordt het dan gegooid op een zieke oma of een hond, als het puntje bij paaltje komt, geeft de wielrenner toe. Uiteraard heeft hij veel spijt, maar hij heeft het op eigen houtje gedaan. Renner gaat weg via de achterdeur en zaak gesloten.

Iedereen hield zich aan de feiten
Elke journalist wist natuurlijk dat de doping niet voorbestemd was voor zijn zieke oma, maar bewijs het maar! Als een journalist zou schrijven dat het onzin zou zijn zou iedereen, met de hoofdredacteur van een kwaliteitskrant voorop, roepen dat de journalist zijn vak niet goed uitoefent. Want heeft de journalist wel bewijzen? Nee, en dus zou de journalist aan slechte journalistiek doen. Wat zeg ik: hij zou NIET aan journalistiek doen. Iedereen hield zich daarom aan de feiten met als gevolg dat de hele wielerjournalistiek nu in zijn hemd staat.

Maar hadden wij dit kunnen weten? Nee, is het antwoord. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste, de wielerjournalist weet niet zoveel, zeker niet als je het vergelijkt met andere vakbroeders. In politiek Den Haag blijft niks geheim. Elk Kamerlid is aan het kwekken in de achterkamertjes en binnen de minuut ligt het op straat. Tijdens de afgelopen Vuelta, de eerste grote ronde die ik versloeg als journalist, kwam ik erachter hoe weinig een journalist weet van een koers die net is afgelopen. Bij een voetbalwedstrijd kan je in negentig minuten precies zien wat er gebeurt. Elke loopbeweging van een speler is te zien en daarom kan je achteraf de juiste vragen stellen. Bij wielrennen kijk je de koers via een te kleine televisie, onder het genot van rinkelende telefoons en getik op het toetsenbord van een laptop. Een televisiemaker van Rabosport dacht tijdens de Vuelta een goede vraag te hebben gesteld aan Robert Gesink: “Robert, je bent vandaag vierde geëindigd en maar dertig seconden toegegeven op leider Rodriguez, het ging lekker vandaag, hè.” Wat hij echter niet wist, was dat Gesink een lekke band had gekregen in het eerste uur en dat hij zich slapjes voelde op de fiets. In plaats de vraag te beamen, ging Gesink in de aanval: “Het ging helemaal niet lekker!” Moraal van het verhaal: de journalist weet, in eerste instantie, helemaal niet zoveel, al denkt de kijker van de sport anders. Tuurlijk, je trekt elke dag met de renners op, dan weet je veel meer dan de normale volger. Maar nadat de journalisten met de renners hebben gesproken gaan de journalisten een stukje tikken in de perszaal en gaan de renners naar hun hotel.  De journalisten weten niet wat ze daar doen. Dat kom je pas te weten als er iemand gaat praten. En tja, dat praten doen ze niet. Tenminste niet over doping.

Geen belang bij lekken
Maar het blijft knagen; alle journalisten uit andere metiers hebben allemaal grote scoops en de wielerjournalist heeft jaren er op moeten toezien hoe een grote meerderheid in de EPO-jaren vrolijk doping gebruikte, zonder dat een journalist het ooit is opgevallen. Hebben wij dan zitten slapen? Nee, is weer het antwoord. Een onthulling komt pas boven tafel als er iemand gaat praten. Iemand gaat pas praten over een heikele kwestie als hij daar belang bij heeft. Dat zie je bijvoorbeeld in de politiek (lekken over de onderhandelingen, omdat één partij daar garen bij spint) en de voetballerij (een zaakwaarnemer lekt over een transfer, zodat de transferwaarde van een speler mogelijk nog hoger wordt). Maar niemand heeft er belang bij om te lekken over doping. Of je schaadt je eigen belangen er mee, of, en dat is nog veel erger in de wielrennerij, je bevuilt je eigen nest. Daarom houdt iedereen zijn kop over dit onderwerp. Hoeveel en hoe vaak journalisten er ook kritische vragen over stellen.

Zolang wij renners niet onder ede mogen ondervragen, rest er voor mij het volgende antwoord op de vraag of er nog veel doping wordt gebruikt: “Ik weet het niet, meneer.”

Florian van Velthoven is freelance journalist, onder meer voor Wieler Revue, RTV Noord, Omroep Brabant en Leeuwarder Courant.