DNA-databank schijnoplossing voor spookangst

21-11-2012 16:30

Het was te verwachten: een publiek debat over het verplicht afstaan van DNA om efficiënter misdaden op te lossen. Aanleiding is een match tussen het DNA van ene Jasper S. en sperma dat werd aangetroffen bij Marianne Vaatstra, die in 1999 op 16-jarige leeftijd omgebracht werd. Naar alle waarschijnlijkheid is Jasper S. schuldig. Gerechtigheid is dan geschied: na 13 jaar weten haar ouders wie Marianne vermoord heeft.

De match kon gemaakt worden dankzij een grootschalig onderzoek in de buurt waar Marianne omkwam. 6.514 mannen stonden DNA af. ‘Ze zouden bij iedereen het DNA vanaf de geboorte moeten afnemen, dan hadden we deze ellende niet gehad’, verklaarde een deelnemer. Hij verwoorde wat menig Nederlander denkt. En aangezien de communis opinio meestal doorsijpelt naar de wet, is het waardevol om de optie van een DNA-databank te bekijken.

Privacyverlies
Wat met een DNA-databank gewonnen wordt, ligt voor de hand. Wordt DNA in redelijke staat gevonden, dan is de kans op een match groot. Daardoor kunnen meer zaken opgelost worden én worden criminelen afgeschrikt om een zware misdaad te begaan. Deze dubbele verwachting is niettemin naïef. Tegenover alle zegeningen staat dat DNA-bewijs leidt tot bijvoorbeeld tunnelvisie bij rechercheurs, en tot verwaarlozing van dure en tijdrovende methoden als verhoring.

Maar laten we for the sake of argument aannemen dat de DNA-databank veel zaken oplost en preventief werkt. Is het dan de vele nadelen waard? Het grootste verlies is onze privacy: dat is, het recht om zelf te beslissen met wie wij persoonlijke informatie delen. En DNA is bijzonder persoonlijk. Je kunt er ontdekken voor welke ziektes iemand een erfelijke aanleg heeft, en zelfs wat zijn karaktertrekken zijn. DNA is de sleutel tot kennis, kennis die (de staat) macht geeft.

ICT
Voor de argeloze voorstander geen probleem. De staat is goed. Ambtenaren werken secuur en hebben het beste met ons voor. De praktijk is anders. De Nederlandse overheid springt slordig om met onze gegevens. Een USB-stick met persoonsgegevens laat men liggen op de achterbank van een huurauto, DigiD-sessies worden gekraakt door een (klein) bedrijf. We kunnen een heel boek vullen met meer voorbeelden – en dat terwijl de overheid nog veel meer informatie krijgt als er een DNA-database komt.

Altijd al gehandicapt op het gebied van ICT, kan de Nederlandse overheid niet de bescherming bieden die zeer belangrijke gegevens als DNA nodig hebben. Met een DNA-databank is het wachten op Chinese hackers die inbreken in het bestand. Of de Amerikaanse overheid die met goedkeuring van het Europees Parlement DNA-gegevens krijgt om te weten wie er het land inkomt. Dat deze praktijken met decentrale opslag van DNA-gegevens voorkomen zouden kunnen worden, gaat voorbij aan de enorme veranderingen op het gebied van ICT.

Weinig moorden
Mijn weerstand tegen de DNA-databank komt allerminst voort uit ongevoeligheid jegens de ouders van vermoorde tienermeisjes. Wel uit een gezonde afweging tussen enerzijds gerechtigheid voor nabestaanden, anderzijds de privacy van het volk.

Feit is dat er in Nederland niet veel moorden gepleegd worden: in 2011 waren het er 163. Een groot deel daarvan was in de familiale sfeer: daden uit wanhoop of schaamte gepleegd. De dader wordt bij dat soort moorden meestal snel gevonden, hij is meestal familie en handelde in een opwelling. Dat mensen in Nederland bij bosjes zouden sterven door koelbloedige psychopaten als Jasper S. en Tristan van der Vlis, is een spookbeeld. Zij nemen jaarlijks hooguit enkele tientallen moorden voor hun rekening.

Utopie
Tegenover het oplossen of voorkomen van misschien tien moorden – niet tientallen, moordlustige psychopaten worden niet afgeschrikt door een hoge pakkans -, staat een fundamentele privacyschending bij zeventien miljoen mensen. De balans slaat hier bij ieder redelijk mens door naar de privacybescherming van het volk.

Wie blijft volharden in het idee dat het oplossen van twee handenvol moorden, het opgeven van de privacy van zeventien miljoen mensen waard is, moet eens een ander scenario bekijken. Elk jaar krijgen twintig Nederlandse kinderen een zeer zeldzame ziekte. Het ontwikkelen van een behandeling kost tien miljard euro. Gaan we dan ook de belasting met 1% verhogen? Wie privacy graag opoffert, moet volgens dezelfde logica liever vandaag dan morgen de verhoging doorvoeren.

Mentaliteit
Volledige veiligheid is de grote belofte en de grootste leugen van de moderne staat. Het is een utopie. Zelfs als het verwerkelijkt wordt, brengt het een wereld waarin alle vrijheid opgeofferd is voor de gelukzalige zekerheid dat de kans nu, zeg, 1 op de 150.000 is dat je ooit vermoord wordt, en niet 1 op de 100.000. Laten we in dat veiligheidsstreven ook maar alle auto’s verbieden, want de kans om in een verkeersongeluk om te komen is veel groter.

Laat ons constructief eindigen. Hoe kunnen we meer afschuwelijke moorden voorkomen, zonder de overheid tot Big Brother te maken? In het specifieke geval van Marianne had het geholpen als haar ouders het 16-jarige meisje verboden hadden om ‘s nachts alleen op de fiets naar de discotheek te gaan. De heersende mentaliteit dat zelfs een pubermeisje moet gaan en staan waar ze wil, heeft Marianne een weerloze prooi gemaakt. Laat ons als samenleving de zaak van Marianne Vaatstra eerder gebruiken als spiegel voor onszelf, dan als rechtvaardiging voor nog meer staatsbemoeienis met ons persoonlijk leven.

Rutger Schimmel studeert geschiedenis aan de Universiteit Antwerpen en is medewerker van VOS Vlaamse Vredesvereniging. Hij publiceerde dit artikel tevens op novini.nl