Femke Halsema: ‘Durf eens roekeloos te leven’

14-01-2013 10:56

Femke Halsema sprak afgelopen vrijdag op de verjaardag van collega-publicist Jeroen Smit in kasteel Frankendeal in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Halsema deed een oproep om uit het maatschappelijke keurslijf te stappen en wat vaker risico te nemen.

Beste Jeroen, Van harte gefeliciteerd met deze gedenkwaardige leeftijd: 50. Toen ik dit praatje voorbereidde en met je vrouw Doret praatte over de grote thema’s in deze fase van jouw bestaan, schoot mij een toneelstuk te binnen, getiteld (in het Duits): Die Befristeten. Of vertaald: de getermineerden, de ter dood veroordeelden.

Macht

Persoonlijk houd ik meer van de zonnige Engelse vertaling: ‘Their days are numbered’. (Ja, ik ben ingehuurd voor de vrolijke noot).

Die Befristeten is een onbekend toneelstuk van de Duitstalige schrijver en nobelprijswinnaar Elias Canetti. Elias Canetti verwierf in de jaren 60 grote roem met de studie Masse und Macht waarin hij zijn ervaringen met de Tweede wereldoorlog verwerkte en indringend waarschuwde voor totalitarisme.

Totalitaire samenleving

Het toneelstuk Die befristeten is eigenlijk, de verbeelding van deze studie. In dit stuk beschrijft Canetti een fictieve, totalitaire samenleving waarin iedereen zijn sterfdatum en zijn precieze aantal levensjaren kent. De naam die een ieder draagt, zestien, dertig, negenenzestig, is ook de tijd van leven die hij heeft.

Regie

Deze samenleving kent een duidelijke afgebakende hiërarchie (vanzelfsprekend hebben de langer levenden meer macht) en is dogmatisch: alles wat ongewis en onbekend is, is uitgebannen; toeval en verrassing bestaan niet; alles verloopt volgens strakke regie.

Dan staat er een man op, een twijfelaar en een rebel. Deze man heet vijftig, en die naam, dat aantal levensjaren draagt hij natuurlijk niet voor niets. Hij verzet zich tegen de vaste indelingen in zijn samenleving, hij verzet zich vooral tegen het determinisme dat zijn leven en dat van de mensen van wie hij houdt, bepaalt.

Graag leven

De zekerheid van een vroege of een late dood, van aangekondigd verlies. Hij twijfelt en wil kunnen twijfelen omdat hij zich realiseert dat levenslust en plezier juist ontstaan als je niet weet hoe lang je nog hebt of hoeveel tijd je er al op hebt zitten.

Zoals Vijftig het in Die Befristeten verwoordt: ‘Ik wil mijn jaren verspillen, noch ze oppotten. Ik wil ze niet als kapitaal beschouwen, ik wil niet aan jaren denken. Ik leef te graag om aan jaren te denken.’

Hartstocht

Nu vraagt u zich misschien af hoe het komt dat ik dit onbekende toneelstuk zo goed ken. Nu, dat is heel eenvoudig. Als 16-jarige amateurtoneelspeler in een theater in Enschede had ik hierin, ondanks dat ik zeker anderhalf jaar met grote hartstocht had gerepeteerd, een onbeduidende figurantenrol.

Dit neemt niet weg dat ik het script 30 jaar heb bewaard. In de aanloop naar vanavond heb ik het eens herlezen en me gerealiseerd dat ik er destijds niets, maar dan ook helemaal niets van heb begrepen.

Haast

Op je zestiende strekt de tijd zich voor je uit en is je eigen onsterfelijkheid geen vraag maar een zekerheid. En dat betekent dat je de tijd en de jaren vreet: je wilt vooruit, ouder worden, ervaringen verzamelen, carrière opbouwen, kinderen krijgen, verantwoordelijkheden nemen, zorgen, werken, meedoen.

Het gekke is, dat juist de onmetelijke hoeveelheid tijd die je hebt, maakt dat je haast hebt, Niet omdat je bang bent dat je dingen niet meer kan doen, maar juist omdat er zoveel kan, en daardoor ook wel alles moet.

Onsterfelijkheid

Ik weet niet wanneer precies, maar ergens tussen je 16e en je – laat ik gemakshalve zeggen – 50e verlaat de gedachte aan onsterfelijkheid je. Voor mij geldt in ieder geval: mijn kinderen, hun onomkeerbare ouder worden, speelden daar een grote rol in.

De middelbare vraag, de vijftigersvraag, die daar bij hoort, is, is dat erg? Is het erg dat de illusie van onsterfelijkheid verdwijnt en plaats maakt voor iets ongewis: niet precies weten hoe lang nog, wat met de tijd te doen, de jaren op te potten of te verspillen, zoals Vijftig in Die Befristeten zich afvraagt.

ZZP-bestaan

Beste Jeroen, Wij kennen elkaar eigenlijk niet zo heel goed en nog niet zo lang. Ik voel me dan ook een beetje een partycrasher: gratis drank en zo, en dan ongegeneerd de feeststemming komen drukken. Maar de afgelopen anderhalf jaar zijn wij elkaar vaak tegengekomen in het, enigszins onthechte ZZP-bestaan dat wij beiden leiden.

We houden een verhaal, leiden een debat, schrijven een stuk, rijden met de auto ergens naartoe en praten wat. Nu is onze achtergrond natuurlijk een andere, is de route die wij er naar toe hebben afgelegd een andere, maar een terugkerend onderwerp in onze gesprekken is de onzekerheid van werk, van inkomsten en van toekomst. En de onrust die dat geeft, zo nu en dan.

Onderuit te zakken

Ik moet zeggen. Het geeft ook bevrijding. Het ‘heilige moeten’ is eraf, het verkrampte doelen stellen, deze naleven, jezelf als te licht beoordelen, nieuwe doelen stellen, ambities formuleren.

Niet om nu onderuit te zakken en de boel verder de boel te laten – daar ben ik in ieder geval veel te jong voor (en jij denk ik ook) – maar wel om eens rustig te twijfelen, je misschien eens wat vaker te laten verrassen, een dagje vrijaf te nemen van werk en verplichtingen.

Sigaret

Ik weet toen ik een aantal maanden was gestopt met politiek, reed ik door Noord Nederland. Ik kwam terug van een bijeenkomst. De zon scheen, de velden stonden in bloei. Ik had prachtige muziek opstaan. Dus ik heb de auto gestopt. De deur opengedaan, een sigaret gerookt en er gewoon een tijdje gezeten. Dat had ik lang niet gedaan, ik had namelijk altijd haast, was altijd ergens op weg naartoe

Wat ik bedoel te zeggen. Deze levensfase kent misschien iets ongewis. Dat geeft twijfel. Het geeft vooral ruimte. Mijn favoriete journaliste en schrijfster, Joan Didion, heeft deze levensfase heel mooi beschreven, en daarmee wil ik eindigen:

Recklessly

I’m not telling you to make the world better, because I don’t think that progress is necessarily part of the package. I’m just telling you to live in it. Not just to endure it, not just to suffer it, not just to pass through it, but to live in it. To look at it. To try to get the picture. To live recklessly. To take chances. To make your own work and take pride in it. To seize the moment.

‘And if you ask me why you should bother to do that, I could tell you that the grave’s a fine and private place, but none I think do there embrace. Nor do they sing there, or write, or argue (…) or touch their children. And that’s what there is to do and get it while you can and good luck at it.