Proza: Bedrog

08-02-2013 14:00

Het was augustus en in dit land betekende dat winter. De temperatuur daalde en het licht doofde langzaam. Hij stapte vermoeid de bus in. Dit was zo’n dag waarop de vrijheid van het reizen had verloren van de inspanning. Daar hoor je nooit iemand over, dacht hij. De helft van de tijd met een bonkend hoofd en een kater in bussen doorbrengen. Slapen in vieze blauwe stoelen met een lapje als kussen. De wereld zien, noemen ze dat.

Hij stapte in. Koos de raamkant van de achterbank. Dit is de eerste keer in twee maanden dat ik alleen reis, onverwacht – dacht hij. Vandaag waren er walvissen aan de kust. Bijna aan te raken en dan weer weg. Morgen zijn er bergen. Meren van gesmolten ijs waarin je je zelf kan zien. Een nieuwe wereld een dag verderop.

Een meisje en een jongen gingen naast hem zitten. Hij mompelde hallo, want dat doe je dan. Ze praatten in een andere taal en lachten en raakten elkaar aan. Dat had hij niet. Niet nu, niet dat, maar wel al het andere om van te proeven. Hij pakte het dekentje onder zijn stoel en maakte zich klaar om te slapen. Naast hem lag het meisje onder haar dekentje. Haar hoofd op de schouder van haar vriend, haar haren als zachte veertjes op zijn bovenarm.

Hij probeerde slaap te vinden, na een nacht waarin de slaap bijna niet te vinden was geweest. De bus hobbelde en hij voelde steeds iets ongemakkelijks. Iets storends. Het tikte tegen zijn been, alsof hij ergens op gewezen moest worden. Tik. Tik. Tik. Wrijf. Toen hij zijn hoofd draaide zag hij het meisje naast hem in het donker naar hem gluren. Toen voelde hij het weer. Haar naakte voet die de zijne had gevonden. Haar vriend sliep. Ze volgde zijn lichaam langzaam tot net boven de enkel.

Hij schrok van het bedrog dat van dit kleine gebaar uitging. Hij zag haar blik, half in het donker. De duistere ogen. Haar bruine haren, deels voor haar gezicht. Haar deken tot net onder haar lippen opgetrokken. Ze gaf een knipoog. Rustig en bijna niet rakend raakten hun voeten elkaar. Ze bewoog haar hoofd en blies zachtjes onder zijn oor. Ineens was hij zich pijnlijk bewust van zijn handen. Die lagen nog steeds langs zijn zij tegen zijn benen, doelloos.

Een van zijn handen kwam los. Hij zag haar vriend slapen. Dit bedrog, dacht hij. Dit bedrog. Dit mag niemand overkomen. Hij wilde zijn hand terugtrekken, maar het ging niet. Het laatste punt was bijna bereikt. Hij tilde rustig de deken op, alsof hij hem wilde laten zweven. Zijn vingers vonden haar been, net boven de knie. Met de toppen trok hij streepjes omhoog. Langzaam. Heel langzaam.

Hij stopte. Dit bedrog is niet voor mij. Hij trok zich terug en keek haar aan. Ze staarde strak, liet de deken even zakken. Voordat ze zich omdraaide en haar haren weer als veertjes op de arm van haar vriend legde, lachte ze nog even.

Ze waren er. De bergen waren bereikt. Hij pakte zijn spullen, klom over hen heen en liep naar buiten. Hij keek naar de lucht met een sigaret in zijn hand. Mensen stapten uit en vervolgden hun reis. Het meisje en haar vriend liepen langs. Hij mompelde tot ziens, want dat doe je dan. Toen ze net voorbij waren, draaide ze haar hoofd even om. Ze gaf een knipoog. De laatste keer dat hij haar lippen zag. Ze liep weg en nam haar voeten met zich mee. Een reis is geen reis als je niet verbaasd wordt.

Foto: ANP