Politiek

Ronald van Raak – Verdwijning op het Binnenhof (9): Niets is wat het lijkt

13-05-2022 16:36

Ronald van Raak verdwijning op het Binnenhof

Dit is de bekentenis van senator Ferd Goud, over de verdwijning van een jonge politica. Een verhaal dat zich grotendeels afspeelt in de geheime gangen en de verborgen kelders van het Binnenhof, dat de komende jaren is gesloten. In dit negende deel beschrijft Goud een gesprek in de oude bibliotheek en een wandeling rond de Hofvijver. Waarin hij mijmerde met Berndt over de politiek in het heden en verleden, eindigend met een flesje wijn in de Johan de Wittkamer.

Doneer aan TPO!

Het was koud en helder weer, ‘met het licht van de oude meesters’, zei Berndt, in een verwijzing naar de luchten van de schilders van de Gouden Eeuw. ‘Van jouw eeuw’, zou Greetje zeggen – want mijn naam is immers Goud. Berndt hield het die dag niet uit op zijn kamer in de senaat en wilde gaan wandelen. Hij kwam me ophalen in de oude bibliotheek, waar ik rustig zat te werken, in het voormalige kabinet van de jonge prinses Mary Stuart, uit diezelfde zeventiende eeuw. Dit was de uitbouw van de Eerste Kamer, recht op het Binnenhof. Als ik mijn hoofd naar links draaide keek ik uit op de plaats waar Johan van Oldenbarnevelt was onthoofd. Een ideale plek om mijn nieuwe boek over deze grote staatsman te schrijven.

Een kracht van Greetje was dat ze goed kon zwijgen, dat maakte haar politiek betrouwbaar en populair bij mensen als Annemijn en bij de premier. Haar zwijgen heeft ook de vriendschap tussen Berndt en mij gered. Ik begreep destijds niet hoe zij het aanzoek van Berndt had kunnen afslaan, en mij enkele weken later haar gunsten kon aanbieden. Wel besefte ik dat Berndt dit niet zou kunnen verdragen. De oplossing van Greetje was om eenvoudigweg te zwijgen, zowel over het vreemde aanzoek van Berndt als over die nacht met mij, waarna het leven weer haar gewone gang ging.

De hele dag was het al onrustig op het Binnenhof en ineens brak buiten een rumoer los. Ik stond op en ging voor het raam staan. Marc Rutte zag ik vanaf het ministerie schuin oversteken, in de richting van de Tweede Kamer. Premier Rutte stapte flink door, met de meute van de media achter zich aan. Berndt was achter me komen staan en vroeg zich af waarom de premier de weg over het Binnenhof nam en niet via de zolder boven de Eerste Kamer was gegaan – dan had hij die journalisten kunnen ontlopen. Berndt had als gezegd een geheime gang over de zolder gevonden van de Eerste naar de Tweede Kamer. Om naar de Tweede Kamer te kunnen moest er nog een doorgang zijn van het Torentje naar de senaat – een toegang die Greetje al had gevonden, maar wij toen niet kenden.

Doodshoofden en doodsbeenderen

Waar de ophef over ging zouden we later wel horen, eerst was het tijd voor Johan van Oldenbarnevelt. Op mijn werktafel lag het verslag van de grafkelders dat Berndt voor mij had gevonden. ‘Kom je nou nog verder?’, vroeg hij. Ja, dat was zeker zo; het verslag was zelfs buitengewoon. Het voornemen om te gaan wandelen lieten we even varen en we verdiepten ons in de documenten van Daniel Veegens, de toenmalige griffier van de Tweede Kamer. Zijn verslag gaf een vrij gedetailleerde beschrijving van de historische grafkelders, zoals hij die had aangetroffen toen in 1879 de oude Hofkapel werd afgebroken. De griffier was hier zelf gaan kijken en trof naar zijn zeggen een droevige situatie aan. In het verslag ging hij in het bijzonder in op Johan van Oldenbarnevelt en wat er volgens hem van deze landsadvocaat te vinden was:

‘Buiten de uitwendig goed bewaard gebleven grafkelders bood de grond der kapel een treurig schouwspel aan, in zoover als die bodem maar al te zeer blijken droeg van zorgeloosheid, waarmede men bij vroegere opgravingen of verbouwingen is te werk gegaan. Hier en daar, niet in regelmatige rijen, vertoonden zich gewelfde grafkelders, waarvan de mond open was; maar op geen enkel graf had men de zerk laten liggen, die oorspronkelijk aanduidde, wie daarin zijne laatste rustplaats gevonden had. Integendeel die zerken lagen over den grond verspreid; op één punt had men er vier op elkander gestapeld. Tusschen het zand lagen doodsbeenderen en doodshoofden, met hout van kisten vermengd.’

‘Meer ten westen aan de noordzijde lagen nog twee ingezakte kelders, vol zand en beenderen, die niet zijn onderzocht. Naar mate men toch verder kwam, drong de overtuiging zich op, dat geenerlei eenigzins belangrijke uitkomst meer te verkrijgen ware. Vroeger had ik mij gevleid, dat bij de opgraving door het een of ander gelukkig toeval misschien iets aan ’t licht zou worden gebragt, waardoor de sedert lang betwiste vraag beslist werd, of het gebeente van ’s lands beroemden advocaat Johan Van Oldenbarnevelt al dan niet nog in de voormalige Hofkapel rust. Toen ik op het terrein kwam, was dit uitzigt reeds grootendeels verloren. Het verdween weldra ten eenen male.’

Gebouwen die elkaar vasthouden

Berndt was jaloers toen ik hem vertelde dat premier Rutte mij had uitgenodigd voor een bezoek aan de grafkelders. Het idee dat ik op plekken kwam op het Binnenhof waar hij nooit toegang zou krijgen, was voor deze speurneus bijna ondraaglijk. Toch bleven de resten van Johan van Oldenbarnevelt ook hem boeien. We bediscussieerden de vraag die Daniel Veegens had gesteld, of deze staatsman hier echt begraven lag. Ik meende van wel, ook omdat de grafkelders een ideale plek waren voor de Oranjes om deze tegenstander voor eens en altijd op te bergen. Bij het verslag van Veegens zat een plattegrond die de griffier had laten maken. Berndt wilde weten waar de kruipruimte was die de minister-president me had laten zien, om zo te achterhalen waar de oude binnenmuur kon uitkomen, waar ik van de ambtenaar niet had mogen kijken.

‘Jij vond mij niet slim toen ik die doorgang over de zolder naar de Tweede Kamer verraadde, maar dat jij je zomaar liet terugfluiten door de medewerker van de Rijksdienst vind ik ook niet erg wijs’, stelde Berndt. De kans van mijn leven, die ik volgens hem zomaar voorbij had laten gaan. Dat nota bene een ambtenaar me dit kijkje had ontnomen in deze historische plek, was volgens hem een historicus onwaardig. Berndt slaagde er niet in om de plaats terug te vinden op de plattegrond van griffier Veegens, daarvoor waren mijn aanwijzingen te vaag. In het ministerie zou ik de weg wel kunnen herkennen, maar tijdens de tocht had ik niet in de gaten gehouden waar we ons bevonden.

Berndt trok zich met de plattegrond terug in een stoel en bleef hier gedurende enige tijd wat ongedurig naar staren, tot hij er genoeg van had en het alsnog tijd was geworden voor een pijp en een wandeling, dit keer een rondje om de Hofvijver. Bij het standbeeld van Johan van Oldenbarnevelt – die hier vanuit zijn zetel naar de plek keek waar hij begraven lag – gingen we op een bankje zitten. Deze kant gaf het mooiste zicht op het Binnenhof: het Mauritshuis en het Torentje; het ministerie van Algemene Zaken en de Trêveszaal en de Eerste Kamer en de Mauritstoren, een aangezicht van gebouwen die elkaar al eeuwenlang vasthielden.

Het Binnenhof en de passanten

Op het Binnenhof was niets wat het leek en ook de Hofvijver was anders dan het beeld deed vermoeden. Deze gestileerde vijver was in werkelijkheid een natuurlijke bron, die nog altijd in verbinding stond met de duinen bij Kijkduin. Dankzij dit natuurlijke water besloten de graven van Holland hier in de dertiende eeuw een paleis te bouwen, waarvan de resten nog altijd te vinden waren in de kelders onder de Ridderzaal. Een vanzelfsprekende plek voor de macht om zich door de eeuwen heen te vestigen: de graven in de Middeleeuwen en de machtige Republiek van Johan van Oldenbarnevelt, en het Koninkrijk dat in de negentiende eeuw tot stand kwam, mede dankzij de inspanningen van de liberale staatsman Thorbecke.

‘Liberalen hebben wel als laatste het recht om zich het Binnenhof toe te eigenen’, vond Berndt: ‘Want als het aan jullie had gelegen, dan had dit er allemaal niet meer gestaan.’ De jonge vriend herinnerde me aan een geschiedenis met Thorbecke, die in 1863 met succes een voorstel door de Tweede Kamer had gekregen om het Binnenhof af te breken en hier een ‘Paleis voor de beide Kamers der Staten-Generaal’ neer te zetten. Een megalomaan plan dat de politieke verhoudingen in die tijd kracht moest bijzetten en een liberaal stempel had moeten drukken op het Binnenhof. Het voorstel van Thorbecke werd aangenomen, maar het liberale paleis is er gelukkig niet gekomen. Zoals in de geschiedenis vaker plannen werden gemaakt om het Binnenhof op de schop te nemen, die altijd op niets zijn uitgelopen. Steeds bleken er redenen voor vertraging, voor uitstel en vooral afstel en weerden deze gebouwen zich tegen de inmenging door de tijdelijke gebruikers; de politici die hier toch passanten zijn gebleven.

De zon brak door en we keken hoe toeristen langs de Hofvijver liepen. Berndt stak een pijp op en begon over Greetje. Voor onze coalitiegenoten werkte haar optreden als een rode lap op een stier. Traditionele sociaaldemocraten zoals Thijssen konden het maar moeilijk verkroppen dat dit liberale topmodel zich tot een woordvoerder maakte van de ‘gewone mensen’. Waarbij ze volop de draak stak met organisaties die juist zeiden op te komen voor deze mensen – en waar de sociaaldemocraten niet zelden belangrijke posities vervulden. Hoe meer zij op de vrouw speelden, hoe populairder Greetje leek te worden. Daarmee werd ze tevens een bliksemafleider voor de bezuinigingen die wij als liberalen zo graag wilden – en waarvan vooral de linkse vrienden de schuld kregen.

Een wijntje bij Johan de Witt

Berndt zei dat hij nooit met ons zou willen regeren; ik antwoordde dat hij wel met de liberale Greetje had willen trouwen. Mijn vriend keek melancholisch voor zich uit, daarna moest hij glimlachen. ‘Weet je dat ik nog steeds geloof dat ze zich ooit zal bedenken’?, zei Berndt tot mijn verrassing. Zijn liefde voor Greetje was geen bevlieging en had zich vastgezet in zijn hart. Ik vroeg hem waarom hij bleef geloven in iets dat waarschijnlijk nooit zou gebeuren. ‘Omdat zonder geloven het leven geen zin heeft’, meende Berndt. Of zijn vertrouwen enige grond had zullen we nooit te weten komen, maar de eigenzinnigheid van Berndt en de energie van Greetje waren een unieke combinatie.

We voltooiden onze wandeling langs de Hofvijver en kwamen via de poort naast de Mauritstoren weer op het Binnenhof, waar nog altijd de geur hing van crisis. In het gebouw van de Eerste Kamer groetten we Frits, die achter zijn balie zat. Berndt ging niet rechts de trap op naar boven, zoals gebruikelijk, maar sloeg linksaf naar de Noenzaal, waar wij Eerste Kamerleden op de vergaderdagen onze lunch genoten. Hij liep de keuken in en kwam even later terug met twee glazen en een kurkentrekker. Daarna gingen we naar de aanpalende Johan de Wittkamer, waar deze raadpensionaris in de zeventiende eeuw kantoor had gehouden, onder in de Hoektoren, naast de Mauritstoren. Een plek die een prachtig uitzicht gaf op het Buitenhof aan de overzijde, waar Johan en zijn broer Cornelis in 1672 door een volksmenigte waren gelyncht en gruwelijk werden verminkt, mede door toedoen van de Oranjes.

De Johan de Wittkamer was een prachtige ruimte met een paneelbetimmering, een cassettenplafond en een portret van de raadpensionaris. Deze vergaderruimte werd tevens gebruikt als opslag voor de keuken en in het bijzonder voor de wijn. Berndt nam een fles van de houten schouw, opende die en schonk voor ons beiden een glas in, en zette zich in een antieke stoel. ‘Ik zal deze fles laten opschrijven’, beloofde hij toen ik hem bestraffend aankeek. ‘Hoelang denk je dat ze ons nog laten voortbestaan?’, vroeg Berndt, nadat ook ik in een van de stoelen was gaan zitten. Om de Eerste Kamer af te schaffen moet eerst de Grondwet worden veranderd en daarvoor is een twee derde meerderheid nodig in de Tweede Kamer, maar ook in de Eerste Kamer. ‘Dus dat zal nog wel even duren’, meende ik. ‘Laten we daar dan op drinken’, zei Berndt proostend.

Uit het notitieboek van Greetje

15 februari

Ik zou het wel kunnen uitschreeuwen maar heb het gevoel dat ik met niemand kan praten. Zeker niet met vriendinnen buiten de politiek. Als model sta je volop in de belangstelling maar verkoop je altijd iets anders. In de politiek verkoop je vooral jezelf. Soms krijg ik het gevoel dat ik publiek bezit ben geworden en dat ik mezelf alleen nog maar te leen heb.

Annemijn heb ik het nieuws van mijn zwangerschap verteld, maar ze reageerde minder enthousiast dan ik had gehoopt. De planning zo vroeg in mijn carrière vond ze niet ideaal. Ze keek nogal bedenkelijk toen ik vertelde dat de vader anoniem wilde blijven, maar vond ook dat we dat moesten respecteren. Wel wilde ze de zekerheid dat de naam niet zou uitlekken en dat durfde ik wel te garanderen. Het is een opluchting dat ze dit verhaal over een anonieme vader accepteerde.

Ferd en Berndt zullen nog wel even moeten wachten, tot de eerste drie maanden voorbij zijn.

In de laatste aflevering van Verdwijning op het Binnenhof volgende week beschrijft Goud de tragische gebeurtenissen in de kelders onder het Binnenhof. Berndt probeert betekenis te geven aan dit drama.