Column

Op zwart ijs

03-01-2013 11:57

Het was nog geen vier uur in de middag. En toch al aardedonker. Ik zal niet harder dan een kilometer of tachtig gereden hebben. Links en rechts vlogen naaldbomen in een duistere wazige streep voorbij. In een bocht die nauwelijks de naam bocht mocht dragen voelde ik de auto ineens lichter worden. Ik begon lichtjes te schuiven. Niet veel. Toen kreeg ik weer grip. Ter plaatse hebben ze daar een woord voor. Zwart ijs. Een fenomeen dat je krijgt als sneeuw op de weg door onverwacht warm weer begint te dooien. Plotseling krijg je te maken met plakken spekglad ijs op plekken waar het daar nog koud genoeg voor is. Winterbanden of niet. Je gaat.

Mijn minimale glijpartij was eigenlijk een gebeurtenis van niets. Ergens tweeduizend kilometer noordelijker dan ik doorgaans gewend ben te gaan. De plaatselijke bevolking haalt er de schouders over op. Monteert spikes onder de banden en gaat verder met leven.

“Ach, het glijdt altijd wel een beetje. Daar wen je aan.”

Ik moest ineens denken aan Nederland.

Alarmcodes voor het weer

Aan het land waar serieuze plannen worden gemaakt om in de winter fietspaden te verwarmen omdat we anders te vaak onderuitgaan. Waar we op diezelfde paden massaal verkeerspaaltjes en ander straatmeubilair verwijderen om eenzijdige botsingen te voorkomen. Het land waar we bij een beetje wind of sneeuw een alarmcode in het leven roepen. Zelfs met uitgestreken gezichten op gedragen toon adviseren om toch vooral thuis te blijven als er geen noodzaak is om buiten te zijn. Waar we massaal naar de overheid wijzen als het niet goed gaat met ons. Dezelfde overheid die overigens op een afstand dient te blijven als we de wind wel in de rug hebben.

Levensgevaarlijk zwart ijs op de weg. In Nederland zouden we ongetwijfeld de overheid aansprakelijk hebben gesteld. Na eerst een stille tocht te hebben georganiseerd voor de slachtoffers van de natuur.

Waar is onze zelfredzaamheid?

Geert Mak stipte het zijdelings even aan in zijn ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’. We raken langzaam maar zeker onze zelfredzaamheid kwijt, omdat we het onvermijdelijke risico van het leven met alle macht proberen uit te bannen. De dood zijn we zo lang mogelijk te snel af door ons lijf met onze onbetaalbare maar fantastische medische zorg tot in het oneindige in redelijke staat te houden. Ook al heeft de geest het al lang opgegeven.

Het risico op de armoedeval verzekeren we weg.

Dit is het land waar een agent een verdachte neerschiet en vervolgens een schadevergoeding vraagt omdat het schot nog dagelijks zijn psyche sloopt. Waar leden van de Mobiele Eenheid geld willen zien van relschoppers omdat ze tijdens rellen – hoe onverwacht – stuiten op geweld.

Hier rijden we op fietsen met elektrische ondersteuning omdat we nooit wind tegen willen hebben. We organiseren cursussen voor ouderen omdat die nieuwe elektrische fietsen wel een stukje harder gaan. En dat zijn we natuurlijk niet gewend. Dat risico moeten we uitsluiten.

Zo plat als we zijn kopen we voor ons dagelijks woon-werkverkeer de straatversie van een terreinauto.

Misschien dat het goed bekeken helemaal niet zo gek is dat we in dit land zo heftig reageren als het ergens ook maar een klein beetje fout gaat. Een walvis in nood. Een stijging van de ziektekostenpremie. Iets meer sneeuw dan we gewend zijn.

Paniek komt als je steeds maar weer verwacht dat alles altijd gaat zoals je het zelf zo mooi had bedacht.

Pech is inmiddels geen onderdeel meer van ons bestaan. We accepteren geen tegenslag meer in ons leven. Zoeken te pas en te onpas naar een persoon of instantie die verantwoordelijk is of in ieder geval kan worden gehouden voor ons leed.

We denken voortdurend recht te hebben op rechtvaardigheid. Vragen van rechters om het onmogelijke waar te maken door iets recht te maken wat intrinsiek krom is. Verlangen van politici absolute veiligheid. In ons eigen huis. Op straat. In de kroeg. Zelfs in het buitenland.

En beginnen als een dreinend kind te zeuren als onze illusie van absolute veiligheid onvermijdelijk weer wordt doorbroken.

Helemaal opnieuw beginnen

Het is als het fascinerende einde van het boek ‘The Day of the Triffids’ van John Wyndham. De schrijver laat de mensheid vrijwel geheel uitsterven door een combinatie van een verblindende komeet en wandelende vleesetende planten. Een select groepje ‘gelukkige’ individuen weet alle ontberingen te doorstaan.

Zij komen op een verlaten boerderij bij elkaar. Om helemaal opnieuw te beginnen. Zonder computers. Zonder machines. Met niet meer dan een eenvoudige boerderij en wat land.

Mocht dit boek ooit uitgerekend in Nederland werkelijkheid worden.

We zijn ten dode opgeschreven.

Chris Klomp is (rechtbank)verslaggever voor onder meer het Algemeen Dagblad, RTV Noord, RTV Drenthe en het ANP. Ook heeft hij zijn eigen weblog.