Column

VVD’ers moeten niet wensdenken over economische ongelijkheid

08-10-2014 14:52

Volgens het Hilversumse VVD-raadslid Arno Scheepers valt het allemaal reuze mee met de ongelijkheid in Nederland en in de wereld. Linkse politici zouden met hun gehamer op de consequenties van groeiende ongelijkheid doen aan ‘ongelijkheidspopulisme’, en de strijd tegen armoede zou niet gebaat zijn met ‘antikapitalistische dogmas’. De verschillen tussen arm en rijk zouden in Nederland – aldus de scribent in kwestie – relatief klein zijn, en in de wereld zou het gat tussen arm en rijk zijn gekrompen. De feiten, beweert Scheepers, spreken voor zich.

Ongelijkheid in Nederland

Ja, voor zich spreken, dat doen ze inderdaad wel, die feiten. Maar spreken ze wel de taal die VVD’ers als Scheepers erin wensen te horen? Dat kun je je afvragen. Allereerst was daar, afgelopen maand, een factsheet van onze eigen Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – niet noodzakelijkerwijs een voorganger in de Linkse Hoogmis – waarin wordt gesteld dat de inkomensverschillen tussen de top en de bodem wel degelijk zijn toegenomen in de laatste decennia. Daarnaast meldt het factsheet dat de vermogensongelijkheid in Nederland naar internationale standaarden ‘aan de hoge kant’ is: de rijkste tien procent van de natie bezit 61 procent van het vermogen, de armste zestig procent (waaronder u en ik, vermoedelijk) bezitten samen nog net een procentje. Eén procent. Met tien miljoen man samen. Zelfs de Economist – geen blad van socialistische snit, voorzichtig uitgedrukt – geeft toe dat het belastingsysteem van Nederland op punten bezit bevoordeelt. Qua ongelijkheid doet volgens een onderzoek uit 2011 in Europa alleen Polen het slechter.

De consequenties van de toegenomen inkomensongelijkheid zijn overigens aanzienlijk. Het factsheet van de WRR is er niet mild over: inkomensongelijkheid wordt geassocieerd met verminderde sociale mobiliteit, met minder sociaal vertrouwen onder burgers, met minder vertrouwen in de politiek – vertrouwen in parlementen schijnt te dalen als inkomensongelijkheid toeneemt – en met verminderde economische groei doordat grootverdieners een groter deel van hun inkomen oppotten (en dus onttrekken aan de markt) dan Jan Modaal. Hierdoor daalt de vraag, en de consumptie. Dat liegt er allemaal niet om, beste VVD’ers.

Ongelijkheid wereldwijd

En dit is nog slechts het nationale verhaal. Internationaal ziet het er allerminst goed uit. Opvallend genoeg verwijst Scheepers naar een studie van het United Nations Development Programme. UNDP publiceerde in November 2013 een lijvig rapport over ongelijkheid in ontwikkelingslanden. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over (pag. 1): “a significant majority of the world’s population lives in societies that are more unequal today than 20 years ago … The world is more unequal today than at any point since World War II. … there are clear signs that this situation cannot be sustained for much longer.” De wereld is ongelijker geworden, en deze ongelijkheid nadert zijn uiterste houdbaarheidsdatum. De rijkste procent van de wereldbevolking heeft 40 procent van de totale rijkdom in handen, de armste helft bezit samen een procent.

Ook de UNDP waarschuwt voor de gevolgen van de ongelijke verdeling van vermogen. Ongelijkheid drukt economische groei, en compliceert armoedebestrijding. Onderwijs, gezondheid en voeding staan onder druk. Ongelijkheid beperkt de toegang tot economische, sociale en politieke middelen, destabiliseert samenlevingen, en voedt conflicten. Extreme ongelijkheid, waarschuwt UNDP, is een vorm van sociale onrechtvaardigheid die op gespannen voet staat met het idee dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren worden – met de universele verklaring voor de rechten van de mens dus, eigenlijk. Wat nu, VVD?

Wensdenken

Tenzij we de WRR, de UNDP en de Economist vandaag nog lid maken van de linkse kerk (in welk geval ik mijn lidmaatschap subiet opzeg), lijkt het erop dat de feiten voor zich spreken: economische ongelijkheid is een reëel probleem, is de afgelopen decennia niet bepaald kleiner geworden, en verdient een beleidsmatige respons – zeker daar waar sociale mobiliteit en economische groei in het geding zijn. Hoe ver je daarin wil gaan, is afhankelijk van je politieke insteek en je vertrouwen in instituties, maar ontkennen dat het probleem er ligt lijkt me niets meer of minder dan wensdenken. Als u twijfelt aan de effecten van economische ongelijkheid moet u overigens wellicht eens in Zuid-Italië gaan kijken.