Column

Wijncolumn John Bindels: Leve het (wijn)netwerk

06-05-2012 12:00

Kampioen wc-pot gooien. Recordhouder bokschieten. Wat doen we nog in een wereld zonder uitblinkers? Er is geen bezigheid op de globe of ze staan in rijen voor bekers en medailles klaar. En liefst nemen die onverslagenen elkaar geregeld de maat. Voor geld, voor de eer of om gevierd te worden in het netwerk dat ‘ertoe doet’. Bijvoorbeeld dat voor de ‘wijnadel’, de onovertroffen categorie van ‘connaisseurs’ en hun vazallen. Daar kennen we aparte ‘takken’ in. Die van de talentvolle proevers, die al vanuit de wieg een Nebbiolo van een Tannat kunnen onderscheiden. En de ‘zelfontbranders’, die zichzelf met gewichtige taal en aangeleerde proefallures hebben gelanceerd, maar in de enige echte wijnadel-kringen als nep worden beschouwd. Dat die nep-adel doorgaans het hoogst van de toren blaast, hoeft geen verwondering te wekken. Goede wijn kan het zonder krans wel af. Maar namaak moet het vooral van schreeuwerige promotie hebben.

Nu moet borstklopperij in het nep-circuit niet worden verward met aanzien dat op reputatie berust. Dat laatste is het kenmerk van de echte wijnadel. Van de wijnwijzen die hoogstens glimlachen om de doorzichtige aandachttrekkerij vanuit het nep-circuit. En hun oren dichthouden voor het gerinkel van ordinair binnen geharkte euro’s. Ze hebben door oefening hoogstens wat braam uit hun ijzeren proefvermogen weg gevijld. En af en toe levert deze divisie ook wijncritici die de gevangene worden van hun eigen doorgeslagen smaakbeleving.

Wijnologen
De echte adel houdt zich afzijdig van alles wat de aandacht van de waarachtige wijnwaardering afleidt. Nep-adel, die ik herhaaldelijk als ‘wijnologen’ heb getypeerd (zij die omhoog vallen, groeten u) ziet kans om zich met aplomb te bewegen in kringen van niet- en halfweters die graag in wijnweetjes grossieren en er alles voor over hebben om in clubcompetities te schitteren. De echte adel wordt aangezocht voor (onkreukbare) internationale topjury’s die met duidelijke beoordelingscriteria werken. Daarbinnen zijn oordelen zelden gelijkluidend, maar wel verankerd met integere argumenten.

Een tweede categorie wijnweetgierigen bestaat uit hongerige cursisten die alle diploma’s willen bemachtigen waartoe hun intelligentie -of gebrek daaraan- maar wil strekken. Ze halen wijnbrevetten, sommelier-papieren, vinologen-diploma’s, worden ‘magister’ of volgen een vooropleiding voor ‘Master of Wine’. Dat zijn de volhouders, van wie vooral de best geschoolden een wijnloopbaan in gedachten hebben. Educatief ingesteld volk dat anderen graag in wijnkennis en smaakontwikkeling ‘verheft’.

Tussen deze lagen opereren nog een paar individuen die zich als ‘onaanraakbaar’ beschouwen en hun wijnleven hoofdzakelijk aangeschoten doorbrengen in een zelf geschapen satire van de werkelijkheid. Het ziet ernaar uit dat die binnenkort niets meer op hun lever hebben, omdat dit orgaan het dan zal hebben begeven. Maar ja, beter Bourgondisch ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd.

‘Niks mis’
En tenslotte zijn er de wijnconsumenten die van een niet al te prijzig glas houden en van alle ‘hogere’ wijnniveaus te horen krijgen dat ze hun eigen smaak moeten volgen, omdat daar ‘niks mis mee’ is. En daar hebben die wijnhotemetoten dan jaren voor doorgeleerd.

Ieder zijn smaak, leren wij al eeuwen. En die heeft te maken met genotsbeleving, waarvan de nuances en gradaties nog nooit in meetbare grootheden zijn gedefinieerd. Mocht het ooit zover komen, dan is het niet uitgesloten dat de Wijnalmanak niet langer met de Boeket-reeks wordt vergeleken, maar wereldwijd aan een opmars begint.

John Bindels, auteur van het satirische boek Wijn met prik, werd in 2010 winnaar van de oeuvreprijs wijnjournalistiek, toegekend door de Wine and Food Association. Hij staat bekend om zijn kruistocht tegen reclamevervuiling in de journalistiek, tegen verhuftering van het taalgebruik en tegen wijntjespluggers die zich voor ’columnist’ uitgeven. Zijn collega Cuno van ’t Hoff noemde hem eerder: ‘Verreweg de scherpste wijncolumnist van ons land’. Wijnauteur Christian Callec kwalificeerde Johns columns als volgt: ‘Prachtige taal. Literatuur’.